ECLI:NL:CBB:2021:694

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 juli 2021
Publicatiedatum
2 juli 2021
Zaaknummer
20/129
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoekster, een BV, kreeg op 5 september 2019 een last onder dwangsom opgelegd door de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Na bezwaar werd dit besluit gedeeltelijk herroepen en gewijzigd. Verzoekster stelde beroep in tegen dit gewijzigde besluit. Op 10 december 2020 trok de minister het bestreden besluit in en herzag het primaire besluit. Vervolgens trok verzoekster haar beroep in en verzocht om een kostenveroordeling.

Het College stelde vast dat het beroep was ingetrokken omdat het bestuursorgaan aan verzoekster geheel of gedeeltelijk tegemoet was gekomen. Op grond van artikel 8:75a Awb is in dat geval een kostenveroordeling mogelijk. Het College wees het verzoek toe en veroordeelde de minister in de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 748,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Daarnaast werd opgemerkt dat de griffierechten van € 354,- rechtstreeks door de minister moeten worden vergoed op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb. De uitspraak werd gedaan door mr. D. Brugman en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2021.

Uitkomst: De minister van Infrastructuur en Waterstaat is veroordeeld in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 748,-.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/129
uitspraak met toepassing van de artikelen 8:54 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2021 in de zaak tussen

[naam BV] , te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 28 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en aan verzoeker een gewijzigde last onder dwangsom opgelegd.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 10 december 2020 (het herzieningsbesluit) heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken, een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen en het primaire besluit herroepen.
Bij brief van 21 januari 2021 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de beroepsprocedure.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan aan de indiener daarvan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld.
2. Het College stelt vast dat het beroep is ingetrokken, omdat verweerder aan verzoekster tegemoet is gekomen.
3. Gelet hierop komt het verzoek om kostenveroordeling voor toewijzing in aanmerking en veroordeelt het College verweerder met toepassing van artikel 8:75a Awb in de kosten van de beroepsprocedure. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden de kosten bedoeld in artikel 1, onder a, vastgesteld op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1).
4. Het College merkt nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 354,- te vergoeden voor verweerder rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, Awb.

Beslissing

Het College veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van
F.L. van Haeften, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
6 juli 2021.
w.g. D. Brugman w.g. F.L. van Haeften
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.