Appellant, een registeraccountant, legde in november 2014 beslag op de pensioenuitkering van [naam 2]. Deze beslaglegging werd door [naam 2] aangevochten via een klacht bij de accountantskamer, die in 2019 klachtonderdeel f gegrond verklaarde en een waarschuwing oplegde aan appellant.
In hoger beroep betoogde appellant dat de klacht niet ontvankelijk was omdat de klachttermijn van drie jaar was verstreken, aangezien de klacht gefixeerd was op het moment van beslaglegging in november 2014, terwijl het klaagschrift pas in november 2018 werd ingediend. Tevens werd het oordeel dat appellant bewust een niet houdbaar civielrechtelijk standpunt innam bestreden.
Het College oordeelde dat de klachttermijn inderdaad begon te lopen bij de eerste beslaglegging en dat er geen nieuwe feiten waren die het handhaven van het beslag zouden rechtvaardigen. Daarom werd de klacht niet tijdig ingediend en niet-ontvankelijk verklaard. De eerdere tuchtuitspraak werd vernietigd voor zover klachtonderdeel f gegrond werd verklaard en de waarschuwing werd opgelegd.