Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2021 op het hoger beroep van:
[naam 1] AA, te [plaats 1] ,
[betrokkene] AA, te [plaats 2] , betrokkene
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de accountantskamer waarin een klacht tegen een accountant ongegrond werd verklaard. De klacht betrof onder meer het aangaan van een geldlening met een cliënt, het verrichten van werkzaamheden in strijd met een concurrentie- en relatiebeding, onzorgvuldigheid bij werkzaamheden voor cliënten en onbehoorlijke uitlatingen.
Het College overwoog dat het aangaan van een geldlening met een cliënt een bedreiging kan vormen voor objectiviteit, maar dat betrokkene deze bedreiging had onderkend en schriftelijk vastgelegd. De werkzaamheden die hij na beëindiging van het dienstverband verrichtte, waren beperkt en met toestemming van de voormalige werkgever. Appellanten konden niet aannemelijk maken dat er sprake was van overtreding van het concurrentie- en relatiebeding.
Verder werden de beschuldigingen van onzorgvuldigheid en onbehoorlijke uitlatingen niet onderbouwd met voldoende bewijs. Het College concludeerde dat betrokkene geen tuchtrechtelijk verwijt treft en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de klacht tegen de accountant is afgewezen.