Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2021 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [plaats 1] , appellant,
[betrokkene] RA, betrokkene
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant stelde dat betrokkene, een registeraccountant, in 2014 onzorgvuldig heeft gehandeld door een onjuiste vordering van €1.000,- in te dienen in het schuldsaneringstraject van een onderneming, waarmee een buitengerechtelijk akkoord werd omzeild. De accountantskamer verklaarde dit klachtonderdeel ongegrond. Het hoger beroep richtte zich op dit oordeel.
Het College stelde vast dat een buitengerechtelijk akkoord was gesloten waarbij crediteuren een deel van hun vordering ontvingen. Appellant voerde aan dat betrokkene een hogere vordering had dan de ingediende €1.000,-, maar dit niet had opgegeven. Betrokkene verklaarde dat de €1.000,- een voorschotfactuur betrof en dat hij zijn vordering niet had ingediend om zijn rechten als borg niet te schaden.
Het College oordeelde dat appellant onvoldoende feiten en bewijs had geleverd om aan te tonen dat betrokkene onzorgvuldig had gehandeld. De door appellant overgelegde stukken en verklaringen waren onvoldoende om het indienen van een onjuiste vordering vast te stellen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de uitspraak van de accountantskamer is ongegrond verklaard.