ECLI:NL:CBB:2021:755
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op overmacht bij randvoorwaardenkorting vanggewasplicht GLB-subsidie
Appellante, een melkveehouderijmaatschap, ontving een randvoorwaardenkorting van 3% op haar GLB-subsidie voor 2019 wegens het niet naleven van de verplichting om direct aansluitend aan de teelt van maïs op zand- en lössgronden een vanggewas te telen.
De toezichthouders van de NVWA constateerden op 29 oktober 2019 dat er geen vanggewas aanwezig was op het perceel, terwijl de grond bewerkbaar was. Appellante voerde in beroep aan dat hevige en langdurige regenval het telen van vanggewas onmogelijk maakte en dat de vanggewasregeling onwerkbaar is. Tevens stelde zij dat zij niet tijdig melding van overmacht kon doen omdat dit niet duidelijk was.
Het College oordeelde dat appellante de overtreding niet betwistte, maar dat zij de overmachtssituatie niet binnen de vereiste vijftien werkdagen had gemeld. De melding op 14 november 2019 was te laat en niet conform de voorgeschreven procedure. Ook het argument dat appellante niet op de hoogte was van de meldingsplicht en dat toezichthouders de regeling onwerkbaar zouden vinden, leidt niet tot een ander oordeel.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de randvoorwaardenkorting blijft van toepassing. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep op overmacht wordt ongegrond verklaard en de randvoorwaardenkorting van 3% blijft van toepassing.