Appellant heeft bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven bezwaar gemaakt tegen de overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure onder de Meststoffenwet. De uitspraak van 20 april 2021 ging ten onrechte niet in op het verzoek om schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding.
Het College constateert dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen de wettelijke termijn van twee jaar met negen maanden zijn overschreden, zonder dat er verzachtende omstandigheden zijn. De overschrijding wordt verdeeld over de bestuurlijke fase (bezwaar) en de rechterlijke fase (beroep), waarbij respectievelijk drie en zes maanden worden toegerekend.
Op basis van deze verdeling veroordeelt het College de Staat tot betaling van €555,56 en de verweerder tot betaling van €444,44 aan appellant. Tevens worden proceskosten van €374,- toegewezen, die gelijkelijk worden verdeeld tussen de Staat en verweerder. De uitspraak van 20 april 2021 wordt voor zover nodig vervallen verklaard en het verzoek alsnog inhoudelijk behandeld.