ECLI:NL:CBB:2021:759

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
20 juli 2021
Publicatiedatum
20 juli 2021
Zaaknummer
19/1455
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure Meststoffenwet

Appellant heeft bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven bezwaar gemaakt tegen de overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure onder de Meststoffenwet. De uitspraak van 20 april 2021 ging ten onrechte niet in op het verzoek om schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding.

Het College constateert dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen de wettelijke termijn van twee jaar met negen maanden zijn overschreden, zonder dat er verzachtende omstandigheden zijn. De overschrijding wordt verdeeld over de bestuurlijke fase (bezwaar) en de rechterlijke fase (beroep), waarbij respectievelijk drie en zes maanden worden toegerekend.

Op basis van deze verdeling veroordeelt het College de Staat tot betaling van €555,56 en de verweerder tot betaling van €444,44 aan appellant. Tevens worden proceskosten van €374,- toegewezen, die gelijkelijk worden verdeeld tussen de Staat en verweerder. De uitspraak van 20 april 2021 wordt voor zover nodig vervallen verklaard en het verzoek alsnog inhoudelijk behandeld.

Uitkomst: De Staat en verweerder worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/1455
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juli 2021 tot gedeeltelijke vervallenverklaring van de uitspraak van 20 april 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: H. Rietveld),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Herczog).

Procesverloop

Bij brief van 21 april 2021 heeft appellant aan het College te kennen gegeven dat in de uitspraak van 20 april 2021 ten onrechte niet is ingegaan op het door hem op 8 januari 2021 ingediende verzoek om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en het College verzocht alsnog op dat verzoek te beslissen.
Het College heeft partijen bij brief van 15 juni 2021 laten weten voornemens te zijn de uitspraak van 20 april 2021 in dier voege te wijzigen dat alsnog op het verzoek om toekenning van schadevergoeding wordt beslist en partijen de gelegenheid geboden zich daarover uit te laten.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden gelegenheid op de brief te reageren.

Overwegingen

1. Het College stelt vast dat in de uitspraak van 20 april 2021 ten onrechte niet is ingegaan op het door appellant op 8 januari 2021 ingediende verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het College ziet hierin aanleiding de uitspraak van 20 april 2021 in zoverre vervallen te verklaren en alsnog op het verzoek van appellant te beslissen.
2. Het College overweegt in dit verband als volgt.
2.1
Het College stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is verstreken. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekendgemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 9 augustus 2018 ontvangen. Op het moment van het doen van de uitspraak van 20 april 2021 is de tweejaartermijn met 9 maanden overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellant heeft daarom recht op € 1.000,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar – te weten 10 maanden – in beslag heeft genomen en tevens de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar – te weten 1 jaar en 11 maanden – heeft geduurd.
2.2
In zaken waarin de bestuurlijke en de rechterlijke fase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bestuurlijke en aan de rechterlijke fase. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van verweerder onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Van de overschrijding is na afronden een periode van 3 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn – 6 maanden – voor rekening van de Staat komt en het resterende deel – 3 maanden – voor rekening van verweerder. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van Pro de Awb verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 444,44 (3/9 x € 1.000,-) aan appellant en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 555,56 (6/9 x € 1.000,-) aan appellant.
3 Het College ziet aanleiding om verweerder en de Staat – nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan verweerder als aan het College is toe te rekenen – te veroordelen in de kosten die appellant in verband met haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden vastgesteld op € 374,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0,5). Om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij verweerder en de Staat ieder de helft betalen van het toe te kennen bedrag.

Beslissing

Het College:
  • verklaart de uitspraak van 20 april 2021 met zaaknummer 19/1455 vervallen, voor zover daarbij niet op het verzoek van appellant om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijk termijn is beslist;
  • beslist op de navolgende wijze alsnog op dit verzoek;
  • veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 555,56;
  • veroordeelt de verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 444,44,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 187,-;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 187,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2021.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.