Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2021 in de zaak tussen
Melkveehouderij [naam 1] , te [plaats] , gemeente [gemeente] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
Procesverloop
Overwegingen
Inleiding
Besluitvorming
Beoordeling van het beroep
niet-ontvankelijk verklaren.
I&R-systeem was haar bedrijfsoppervlakte 0 ha en hield zij in het geheel geen runderen. Appellante heeft verweerder meermaals verzocht duidelijkheid te verschaffen over het aantal runderen waarop verweerder zijn berekeningen zou baseren, zodat zij hier haar bedrijfsvoering op kon afstemmen. Appellante heeft na overleg met verweerder haar bedrijfsgegevens toegezonden en hierop heeft verweerder bij brief van 4 mei 2017 gereageerd. In de brief van 4 mei 2017 staat het volgende vermeld:
“Vanaf augustus 2016 is het mogelijk om de gegevens te controleren die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de fosfaatrechten. U heeft de gegevens, zoals deze op mijn.rvo.nl staan, gecontroleerd en op 28 september 2016 een reactie gestuurd. Ik heb uw reactie bekeken. In deze brief leest u wat ik met uw reactie heb gedaan. […] U geeft aan dat de melkproductie moet worden gewijzigd. Ik heb uw bewijsstukken ontvangen en beoordeeld. [U geeft aan dat] het dieraantal moet worden gewijzigd. Op basis van het door u meegestuurde bewijsstuk stel ik het dieraantal bij.”
Overschrijding van de redelijke termijn
Verweerder heeft op 25 mei 2018 beslist op het bezwaar van appellante. Omdat de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar in beslag heeft genomen is de overschrijding van de behandelingsduur volledig toe te rekenen aan het College. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van Pro de Awb de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van € 1.500,- aan appellante.
Slotsom
- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni 2018 ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 1.500,- te betalen.