ECLI:NL:CBB:2021:773

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 juli 2021
Publicatiedatum
21 juli 2021
Zaaknummer
20/590
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening (EU) nr. 1307/2013Art. 4 Verordening (EU) nr. 1307/2013Art. 4 lid 1 onder e Verordening (EU) nr. 1307/2013Art. 4 lid 1 onder f Verordening (EU) nr. 1307/2013Art. 4 lid 1 onder h Verordening (EU) nr. 1307/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing subsidiabele landbouwgrond op basis van verruiging en gebruikstitel

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin de basis- en vergroeningsbetaling voor 2019 werd vastgesteld op een bedrag lager dan door haar gevorderd. Het geschil betreft de subsidiabele oppervlakte van landbouwgrond, waarbij verweerder bepaalde percelen niet als subsidiabel aanmerkt vanwege verruiging en verstruiking, en andere percelen vanwege het ontbreken van een geldige gebruikstitel.

De percelen 42, 108, 109 en 443 worden door verweerder niet als subsidiabele landbouwgrond erkend omdat zij verruigd en verstruikt zijn, hetgeen blijkt uit luchtfoto’s en cyclomediabeelden. Appellante betoogt dat de foto’s een onjuiste indruk geven door droge zomers en het opnamepunt van bovenaf, en dat op haar eigen foto’s een overheersing van grassen en kruidachtige voedergewassen zichtbaar is. Het College oordeelt echter dat de door verweerder overgelegde beelden overtuigend aantonen dat de percelen verruigd en verstruikt zijn, en dat de foto’s van appellante onvoldoende twijfel zaaien.

Ten aanzien van de percelen 467 en 468 stelt appellante dat zij deze percelen feitelijk gebruikt voor begrazing op basis van een begrazingsovereenkomst met de eigenaar. Het College stelt vast dat de gebruikstitel vereist is om een perceel tot het bedrijf te rekenen, waarbij de landbouwer over een zekere autonomie moet beschikken voor beheer. Uit de overeenkomst blijkt dat de eigenaar verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud, terwijl appellante alleen autonomie heeft over de begrazing door dieren. Hierdoor is niet voldaan aan de voorwaarden voor subsidiabele landbouwgrond.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van de betalingen blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2021 in de zaak tussen

[naam stichting] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. J. Bongers),
en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. A. Weken).

Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling). Verweerder heeft de basis- en vergroeningsbetaling vastgesteld op € 346.341,91.
Bij besluit van 26 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 vastgesteld op € 381.125,03.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2021. Partijen zijn verschenen bij genoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Het geschil draait om de door verweerder geconstateerde subsidiabele oppervlakte.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat de percelen 42, 108, 109 en 443 niet als subsidiabele landbouwgrond kunnen worden aangemerkt, omdat deze percelen blijkens het beeldmateriaal dat verweerder ter beschikking staat zijn verruigd en verstruikt en hierop geen teelt kan plaatsvinden. De percelen 467 en 468 komen niet voor uitbetaling in aanmerking omdat appellante voor deze percelen geen geldige gebruikstitel heeft. Uit de door appellante overgelegde begrazingsovereenkomst tussen appellante en de eigenaar van de grond [naam BV] blijkt volgens verweerder dat de percelen geen onderdeel uitmaken van het bedrijf van appellante, en dat zij de percelen ook niet in eigen naam en voor eigen rekening gebruikt, aangezien zij de aanwijzingen van [naam BV] moet opvolgen.
3. Voor de vaststelling van het bedrag aan basisbetaling en de vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder ‘subsidiabele hectare’ wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). Onder 'landbouwareaal' wordt – voor zover hier van belang – verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als blijvend grasland (artikel 4, eerste lid, onder e, van Verordening 1307/2013). Onder 'blijvend grasland' wordt – voor zover hier van belang – verstaan grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen (artikel 4, eerste lid, onder h, van Verordening 1307/2013). Onder ‘bouwland’ wordt ingevolge artikel 4, eerste lid, onder f van Verordening 1307/2013 – voor zover hier van belang – verstaan grond die voor de teelt van gewassen wordt gebruikt of daarvoor beschikbaar is, maar braak ligt.
De oppervlakte moet, om subsidiabel te zijn, landbouwareaal zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
percelen 42, 108, 109 en 443
4.1
Volgens appellante heeft verweerder de percelen 42, 108, 109 en 433, die onderdeel uitmaken van grotere begrazingseenheden, ten onrechte niet als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt. Door de droge zomers geven de luchtfoto’s geen getrouwe weergave van de werkelijkheid. Verder zijn de luchtfoto’s en cyclomediabeelden van verweerder vanaf de dijk van boven genomen, waardoor het ten onrechte lijkt alsof deze verruigd zijn. Op de foto’s van appellante is echter duidelijk te zien dat sprake is van takachtige opstanden met daaronder een grasmat, en dat grassen en andere kruidachtige gewassen overheersen.
4.2
Naar het oordeel van het College heeft verweerder deze percelen terecht niet als subsidiabele landbouwgrond aangemerkt. De luchtfoto’s en cyclomediabeelden bewijzen dat deze percelen, gelet op hun kleur en structuur, die bovendien afwijkt van die van de omringende percelen, dusdanig zijn verruigd en verstruikt, dat geen sprake is van overheersende grassen of andere kruidachtige voerdergewassen. De door appellante overgelegde foto’s van de percelen geven naar het oordeel van het College onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel. Ook uit die foto’s blijkt van verruiging en verstruiking, vanwege de aanwezigheid van bosschages en duidelijk zichtbare bruine plekken. De beroepsgrond slaagt niet.
percelen 467 en 468
5.1
Voorts stelt appellante dat zij de percelen 467 en 468, waarvoor zij een begrazingsovereenkomst met [naam BV] heeft afgesloten, wel degelijk voor haar eigen landbouwkundige doelen gebruikt. Zij gebruikt de percelen zelf feitelijk en weidt daarop ook haar vee voor eigen rekening en risico.
5.2
Percelen behoren tot een bedrijf - en de landbouwer kan hierover dus beschikken - als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010 (ECLI:EU:C:2010:606), Landkreis Bad Dürkheim, C‑61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van een landbouwactiviteit te beheren, (zie in dit verband ook de uitspraak van het College van 8 juni 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:589).
5.3
Het College stelt vast dat de percelen 467 en 468 eigendom zijn van [naam BV] . Dat appellante op deze percelen op de peildatum 15 mei 2019 landbouwactiviteiten verrichtte door de beweiding van deze percelen, is niet in geschil. Appellante heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat zij deze percelen op de peildatum (ook) daadwerkelijk in beheer had. Verweerder heeft daartoe terecht gewezen op het feit dat uit de begrazingsovereenkomst blijkt dat het [naam BV] groot onderhoud, de vervanging van vaste rasters en bijbehorende materialen en de kosten voor voer ten tijde van voedseltekort voor haar rekening neemt. Verder kan [naam BV] in verband met bedrijfsactiviteiten percelen aan het te begrazen gebied onttrekken of toevoegen. Appellante is verantwoordelijk voor de begrazing van de percelen, het toezicht, begeleiding en veterinaire verplichtingen van de dieren en bijbehorende niet vaste voorzieningen en mogelijke evacuaties van de dieren. Hieruit blijkt naar het oordeel van het College weliswaar dat appellante een zekere autonomie heeft over de begrazing van de percelen door de dieren, maar niet over het beheer van de percelen op zich; dat ligt bij [naam BV] . Verweerder heeft deze percelen dan ook terecht niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van het bedrag aan uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2019. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Dit betekent dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2021.
De voorzitter is verhinderd te ondertekenen De griffier is verhinderd te ondertekenen