ECLI:NL:CBB:2021:880
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie Investeringssubsidie duurzame energie wegens ontbreken stimulerend effect
Appellante vroeg op 31 oktober 2019 subsidie aan voor een warmtepomp, maar had reeds op 9 oktober 2019 verplichtingen aangegaan met betrekking tot de aankoop en werkzaamheden. Verweerder stelde daarom de subsidie op nihil vast wegens het ontbreken van het vereiste stimulerend effect, zoals voorgeschreven in de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies.
Appellante voerde aan dat de renovatie was uitbesteed en dat de subsidieaanvraag pas in een latere fase relevant was, maar het College oordeelde dat de aanvang van werkzaamheden juridisch was vastgesteld op 9 oktober 2019, vóór de aanvraagdatum. Dit betekent dat de subsidie terecht is afgewezen omdat de subsidie geen terugwerkende kracht kent en kosten gemaakt vóór de aanvraag niet subsidiabel zijn.
Het College concludeert dat appellante onjuiste gegevens heeft verstrekt over de aanvang van de werkzaamheden, wat bij correcte vermelding tot afwijzing van de subsidie had geleid. Verweerder heeft daarom terecht gebruikgemaakt van zijn bevoegdheid om de subsidie op nihil vast te stellen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de subsidie voor de warmtepomp wordt terecht op nihil vastgesteld wegens het ontbreken van het stimulerend effect.