Appellante had een bedrijfsblokkade opgelegd gekregen vanwege niet-naleving van identificatie- en registratieverplichtingen voor runderen. Deze blokkade werd bij het primaire besluit opgeheven nadat appellante de tekortkomingen had hersteld. Tegen het bestreden besluit, waarin het bezwaar tegen de opheffing ongegrond werd verklaard, stelde appellante beroep in.
Het College oordeelt dat appellante geen procesbelang heeft omdat het primaire besluit een begunstigend besluit is en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met het beroep in een betere positie kan komen dan na de opheffing van de blokkade. De rechtmatigheid van het oorspronkelijke blokkadebesluit is niet aan de orde omdat appellante daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.
Daarnaast klaagde appellante over de duur van de procedure. Het College stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden zonder dat er verzachtende omstandigheden zijn. Daarom wordt verweerder veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 en wordt het griffierecht aan appellante vergoed.
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de procedurekosten worden niet aan appellante opgelegd. De uitspraak is gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 5 oktober 2021.