ECLI:NL:CBB:2021:912

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
29 september 2021
Zaaknummer
20/870
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen handhaving opheffing bedrijfsblokkade en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Appellante had een bedrijfsblokkade opgelegd gekregen vanwege niet-naleving van identificatie- en registratieverplichtingen voor runderen. Deze blokkade werd bij het primaire besluit opgeheven nadat appellante de tekortkomingen had hersteld. Tegen het bestreden besluit, waarin het bezwaar tegen de opheffing ongegrond werd verklaard, stelde appellante beroep in.

Het College oordeelt dat appellante geen procesbelang heeft omdat het primaire besluit een begunstigend besluit is en zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met het beroep in een betere positie kan komen dan na de opheffing van de blokkade. De rechtmatigheid van het oorspronkelijke blokkadebesluit is niet aan de orde omdat appellante daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.

Daarnaast klaagde appellante over de duur van de procedure. Het College stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden zonder dat er verzachtende omstandigheden zijn. Daarom wordt verweerder veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 en wordt het griffierecht aan appellante vergoed.

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de procedurekosten worden niet aan appellante opgelegd. De uitspraak is gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 5 oktober 2021.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/870

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2021 in de zaak tussen

[naam VOF]
,te [plaats] , appellante,
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. I.C.M. Nijland).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het aan appellante opgelegde verbod om runderen af te voeren, te vervoeren of te verhandelen (de bedrijfsblokkade) met ingang van 20 mei 2019 opgeheven.
Bij besluit van 30 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar vennoot [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
Op 1 februari 2019 hebben inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd op het bedrijf van appellante in het kader van de Regeling identificatie en registratie van dieren (Regeling I&R). In het bedrijfscontrolerapport, gedateerd 4 februari 2019, is vermeld dat 23 runderen op het bedrijf aanwezig waren die geen oormerk in de oren hadden. Deze runderen waren wel aangemeld bij de I&R-databank. Dit betekent dat bij tenminste 20% van de aanwezige runderen niet is voldaan aan de identificatie- en registratieverplichtingen als bepaald in de Regeling I&R. Dit heeft geleid tot een besluit van 1 februari 2019 waarin verweerder appellante ten aanzien van haar bedrijf een verbod heeft opgelegd om runderen “af te voeren, te vervoeren of te verhandelen”.
1.2
Bij het primaire besluit is de bedrijfsblokkade met ingang van 20 mei 2019 opgeheven. Hiertoe heeft verweerder besloten omdat uit onderzoek was gebleken dat appellante de omissies ten aanzien van de I&R-meldingen, die aanleiding waren voor de bedrijfsblokkade, inmiddels aantoonbaar heeft kunnen herstellen. In het besluit is vermeld dat appellante weer runderen mag “aanvoeren op het bedrijf, afvoeren van het bedrijf, verhandelen en vervoeren”. Verder is aangegeven dat het besluit niet ziet op de opheffing van de verboden ten aanzien van de eventueel door appellante gehouden meerlingen-kalveren (individuele dierblokkades).
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij aan appellante toegegeven dat in het primaire besluit ten onrechte is vermeld dat appellante ook een verbod was opgelegd voor het aanvoeren van runderen en ten onrechte is gesproken over individuele dierblokkades. Deze kennelijke vergissing maakt volgens verweerder echter niet dat het bestreden besluit niet rechtsgeldig is genomen, omdat deze vergissing geen rechtsgevolg heeft en appellante derhalve niet in haar belangen is geschaad. Voor zover appellante meent dat de manier waarop de NVWA communiceert, zowel mondeling als schriftelijk, onzorgvuldig is, kan zij hierover een klacht indienen bij de NVWA via een daarvoor bestemd klachtenformulier, aldus verweerder.
3. In beroep betoogt appellante dat een bedrijfsblokkade een zwaar middel is en niet passend voor de situatie waarin zij zich bevond. Zij stelt zich ook op het standpunt dat het melkveebeleid in Nederland het voor melkveehouders vrijwel onmogelijk maakt om hun bedrijf te exploiteren. Appellante verwijst in dit kader naar een aantal overgelegde artikelen uit de Boerderij en andere vakbladen. Ter zitting heeft appellante verder toegelicht dat zij de omgangsvormen en het handelen van de NVWA tijdens de controle op het bedrijf en de communicatie daarna als heel onprettig heeft ervaren. Tot slot heeft appellante in beroep aangevoerd dat de procedure te lang heeft geduurd, omdat zij bijna een jaar op de beslissing op het bezwaar heeft moeten wachten.
4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat appellante geen procesbelang heeft bij het beroep. Appellante streeft met haar beroep geen wijziging van het rechtsgevolg van het bestreden besluit na. Voor wat betreft de onprettige omgangsvormen waar appellante over spreekt, herhaalt verweerder hetgeen reeds in het bestreden besluit naar voren is gebracht. Dat appellante meent dat het Nederlandse landbouwbeleid de positie van landbouwers onmogelijk maakt, doet eveneens niet af aan de rechtsgeldigheid van het bestreden besluit.
5.1
De beroepsgronden komen erop neer dat appellante het niet eens is met de bedrijfsblokkade van 1 februari 2019 en met de handelwijze van medewerkers van de NVWA bij de aan de blokkade voorafgaande controle en de communicatie daarna. Appellante heeft evenwel geen bezwaar gemaakt tegen het blokkadebesluit van 1 februari 2019, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De rechtmatigheid van dat besluit is in deze procedure dan ook niet aan de orde. Dat appellante het niet eens is met de bedrijfsblokkade en de gang van zaken daaromheen, had zij in het bezwaar tegen dat besluit naar voren moeten brengen. In deze procedure kan uitsluitend worden beoordeeld hetgeen appellante heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit, waarin haar bezwaar tegen het deblokkadebesluit ongegrond is verklaard.
5.2
Volgens vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:690), heeft een belanghebbende voldoende procesbelang als het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor de belanghebbende feitelijk betekenis kan hebben. Een formeel of een principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
5.3
Het College stelt voorop dat het primaire besluit, waarbij de op het bedrijf van appellante rustende blokkade is opgeheven, een begunstigend besluit is. Zoals verweerder in het bestreden besluit reeds heeft opgemerkt, is in het primaire besluit ten onrechte vermeld dat appellante ook een verbod was opgelegd voor het aanvoeren van runderen. In het blokkadebesluit van 1 februari 2019 was dat niet vermeld. Deze onjuiste vermelding had evenwel geen rechtsgevolg. Bij het primaire besluit is de blokkade opgeheven en dat is niet anders doordat daarbij over de reikwijdte van de oorspronkelijke blokkade iets onjuists is vermeld. Appellante heeft ook anderszins niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat zij met haar beroep in een betere positie kan geraken dan waarin zij zich nu – na het opheffen van de blokkade – bevindt. Gelet hierop valt niet in te zien dat het resultaat van dit beroep voor appellante feitelijk betekenis kan hebben. De conclusie is dan ook dat appellante geen procesbelang heeft bij haar beroep.
6. Het beroep van appellante is gelet op het vorenstaande niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7.1
Het College vat het betoog van appellante dat de procedure zo lang heeft geduurd, mede gelet op wat zij hierover desgevraagd ter zitting te kennen heeft gegeven, op als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
7.2
Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten. Het uitgangspunt voor de vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal aantal maanden van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
7.3
Het College stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM is verstreken. De redelijke termijn is op 2 juli 2019 aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de termijn van twee jaar met ruim 3 maanden overschreden. Van factoren die aanleiding geven de overschrijding van de redelijke termijn gerechtvaardigd te achten is geen sprake. Appellante heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding.
7.4
Omdat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en de behandeling van het beroep niet meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, is de overschrijding volledig toe te rekenen aan verweerder. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellante.
8. Het College ziet in hetgeen is overwogen onder 7.3 tevens aanleiding om te bepalen dat het door appellante betaalde griffierecht aan haar wordt vergoed.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder tot betaling aan appellante van een schadevergoeding van € 500,-;
  • bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht van € 345,- aan haar moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2021.
De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.