ECLI:NL:CBB:2021:932
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom voor aanbieden taxivervoer zonder vergunning in Amsterdam
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de invordering van een dwangsom van € 5.550,- wegens het aanbieden van taxivervoer zonder vergunning op de Amsterdamse opstapmarkt op 6 maart 2020. Een toezichthouder van de gemeente Amsterdam stelde vast dat appellant met een taxi zonder geldige vergunning een klant oppikte, ondanks het verwijderen en later weer terugplaatsen van het taxidaklicht.
Appellant voerde aan geen dienstverlening te hebben verricht, geen arbeidsovereenkomst te hebben en afhankelijk te zijn van een Wajong-uitkering, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen. Het College oordeelde dat deze omstandigheden niet verhinderen dat appellant taxivervoer aanbood zonder vergunning, waarmee de overtreding vaststaat.
Verder stelde appellant dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, maar het College vond dat de bevindingen van de toezichthouder, vastgelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport, voldoende waren en niet werden weersproken. De invordering van de dwangsom is daarom terecht.
Het College benadrukte dat bij invordering van een dwangsom het belang van de invordering zwaar weegt en dat financiële draagkracht in beginsel niet in de besluitvorming wordt betrokken, tenzij evident is dat betaling onmogelijk is. Appellant had dit niet aannemelijk gemaakt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wordt ongegrond verklaard en de dwangsom blijft verschuldigd.