Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] AA, te [plaats 1] ( [naam 1] )
[naam 3] B.V., te [plaats 2] (hierna gezamenlijk: [naam 4] c.s.)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 3] B.V., verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.
Grondslag van het geschil
1 januari 2015 van [naam 13] B.V. en [naam 12] B.V. met [naam 10] B.V. te onderzoeken en daarover te rapporteren. Uit de opdrachtbevestiging van die datum blijkt dat de werkzaamheden erop zijn gericht toereikende informatie te verkrijgen om vast te stellen dat:
- de aan het voorstel tot splitsing ten grondslag liggende, door het bestuur gemaakte, beschrijvingen, niet onredelijk zijn;
- het voorstel tot splitsing is opgesteld op dezelfde basis als de jaarrekening met toepassing van aanvaardbare grondslagen van waardering en resultaatbepaling.
9 november 2015. Op die dag is [naam 15] B.V. opgericht. In de akte van oprichting is onder meer bepaald dat de oprichters ( [naam 2] en zijn broer en zus) ieder hun aandeel in VOF [naam 15] geruisloos inbrengen. Dit is door middel van een eveneens op 9 november 2015 ondertekende akte van inbreng gebeurd. Verder is op
Naar ons oordeel:
bedoeld in artikel 2:326 BW Pro, mede gelet op de bij het voorstel tot fusie gevoegde
stukken, redelijk; en
Uitspraak van de accountantskamer
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Het College stelt vast dathet hoger beroep van [naam 1] is gericht tegen een aantal overwegingen van de accountantskamer in het kader van de beoordeling van de klachtonderdelen b, c, d en f. Tegen het oordeel van de accountantskamer over de klachtonderdelen a en e heeft [naam 1] geen hoger beroep ingesteld.