Appellante, een groothandel in was-, poets- en reinigingsmiddelen, had sinds 2009 een toelating voor de biocide Alpha-Bac 12 F op basis van waterstofperoxide. Met de inwerkingtreding van de Biocidenverordening moesten biociden opnieuw worden toegelaten volgens deze verordening. Appellante diende een aanvraag in voor toelating onder deze verordening, maar trok deze aanvraag later in.
Verweerder besloot ambtshalve de bestaande toelating van Alpha-Bac 12 F in te trekken op grond van artikel 89, derde lid, van de Biocidenverordening, omdat de aanvraag was ingetrokken. Appellante voerde bezwaar en beroep aan tegen deze intrekking, stellende dat de vereiste testen niet aansluiten bij de unieke toepassing in dampfase en dat de intrekking leidt tot financiële en imagoschade.
Het College oordeelde dat vanwege de intrekking van de aanvraag door appellante verweerder verplicht was de toelating in te trekken. De door appellante aangevoerde bezwaren over de wetenschappelijke toetsing zijn daarmee irrelevant. Het beroep tegen het besluit tot niet-ontvankelijkheid werd verworpen en het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.
Het College veroordeelde verweerder in de proceskosten en droeg hem op het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. J.H. de Wildt op 3 augustus 2021.