Appellante, eigenaar van een coffeeshop, kreeg een boete opgelegd wegens het niet handhaven van het rookverbod op grond van artikel 10, eerste lid, onder e van de Tabaks- en rookwarenwet. De boete volgde op een inspectie door de NVWA waarbij toezichthouders visueel vaststelden dat tabak werd gerookt in de vorm van joints samengesteld uit sigaretten.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en verwierp haar stelling van rechtsongelijkheid en het ontbreken van monstername. Appellante stelde in hoger beroep dat er geen monsters waren genomen om vast te stellen dat er daadwerkelijk tabak werd gerookt en dat het handhavingsbeleid van de NVWA in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel.
Het College overwoog dat het bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op een op ambtseed opgesteld rapport van bevindingen en dat er geen aanleiding was om aan dit rapport te twijfelen. Monstername was niet noodzakelijk omdat visuele waarnemingen voldoende waren. Ook was geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de NVWA steekproefsgewijs inspecteert en appellante niet aannemelijk had gemaakt dat vergelijkbare overtredingen elders niet werden bestraft.
Het College bevestigde daarmee de boete en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.