Appellante, een vennootschap onder firma bestaande uit drie vennoten, verzocht om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers en om uitbetaling van de basisbetaling, vergroeningsbetaling en extra betaling voor jonge landbouwers voor 2019. De startdatum van de daadwerkelijke, langdurige zeggenschap van de zoon werd in 2015 opgegeven als 1 januari 2013 en in 2019 als 30 april 2014.
Verweerder wees de aanvraag voor betalingsrechten uit de Nationale reserve af omdat de startdatum van de zeggenschap volgens eerdere opgaven 1 januari 2013 was, wat niet voldeed aan de voorwaarden. Appellante voerde aan dat de eerdere opgave niet tegen haar kon worden gebruikt en dat de aanvraag getoetst moest worden aan de Beleidsregel Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB die pas na 15 mei 2015 in werking trad.
Het College oordeelde dat verweerder terecht niet de latere datum van 30 april 2014 heeft gehanteerd, omdat binnen dezelfde regeling niet op basis van twee verschillende data rechten kunnen worden toegekend. De startdatum van 1 januari 2013 leidt ertoe dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde van oprichting binnen vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag. De beroepsgrond faalt en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Daarnaast stelde het College vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met twee maanden is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van €500 aan appellante. De overschrijding is geheel aan de Staat toe te rekenen. Een proceskostenveroordeling wordt niet uitgesproken.