Appellant heeft een onderneming overgenomen van een B.V. en deze voortgezet als eenmanszaak, waarbij de kernactiviteiten, het klantenbestand en het vestigingsadres ongewijzigd bleven. Verweerder kwalificeerde de onderneming als startend en gebruikte daardoor een alternatieve, nadelige omzetreferentieperiode voor de TVL-subsidie.
Het College stelt vast dat ondanks de rechtsvormwijziging de onderneming feitelijk dezelfde eenheid is gebleven. De omzet van de B.V. in 2019 is representatief voor de omzet van de voortgezette onderneming. Verweerder had daarom de omzet uit 2019 moeten gebruiken als referentieperiode.
Het College vernietigt de bestreden besluiten en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet verweerder het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.
De uitspraak benadrukt dat een rechtsvormwijziging niet automatisch leidt tot een nieuwe onderneming in de zin van de TVL-regeling, zeker niet als de feitelijke bedrijfsvoering en kenmerken ongewijzigd blijven. Dit voorkomt onterechte nadelige toepassing van subsidieregelingen.