Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
verwijzingsuitspraak van de meervoudige kamer van 3 mei 2022 2021 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Ten tweede kan het College uit de tekst van het eerste lid van artikel 36 van Pro Verordening 1107/2009 niet zonder twijfel afleiden of de verplichting dat moet worden beoordeeld in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis los kan worden gezien van de verplichting dit te doen ‘met gebruikmaking van de richtsnoeren die ten tijde van de aanvraag beschikbaar zijn’. Enerzijds is pleitbaar dat de stand van de wetenschappelijke en technische kennis zowel kan worden achterhaald aan de hand van (al dan niet vastgestelde) richtsnoeren, als uit wetenschappelijke onderzoeken en publicaties die (nog) niet in vastgestelde richtsnoeren zijn verwerkt. Een dergelijke uitleg zou goed aansluiten bij de in artikel 29, eerste lid, onder e, van Verordening 1107/2009 genoemde toelatingseis voor een gewasbeschermingsmiddel dat dit middel op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet aan de eisen van artikel 4, derde lid, van Verordening 1107/2009. Hier wordt het richtsnoer niet genoemd. Ook het hiervoor aangeduide voorzorgsbeginsel pleit voor een dergelijke uitleg, nu dit blijkens het hiervoor aangehaalde arrest EHvJ van 1 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:800, noopt tot een complete beoordeling op basis van de meest betrouwbare wetenschappelijke gegevens en van de meest recente resultaten van internationaal onderzoek. Het College vraagt zich verder af of het hiervoor aangehaalde arrest EHvJ van 6 mei 2021, ECLI:EU:C:2021:367, hoewel dit gaat over de goedkeuring van werkzame stoffen, gelet op de punten 69 en verder, eveneens in de richting wijst dat de beoordeling moet geschieden aan de hand van elke wetenschappelijke of technisch nieuwe kennis, ongeacht de bron of het document waaruit die voortvloeit. Verweerder heeft anderzijds betoogd dat de stand van de wetenschappelijke en technische kennis steeds met gebruikmaking van richtsnoeren moet worden beoordeeld, omdat zonder richtsnoeren voor hem geen berekeningsmethoden en onderzoekstechnieken bij de beoordeling beschikbaar zijn. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt met zich mee dat alleen vastgestelde richtsnoeren leidend zijn bij de beoordeling, aldus verweerder.