ECLI:NL:CBB:2022:22

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
17 januari 2022
Zaaknummer
20/694
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 Verordening (EU) nr. 1307/2013Art. 46 Verordening (EU) nr. 1307/2013Art. 45 lid 9 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014Art. 2.17 Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken vanggewas voor vergroeningsbetaling GLB 2019

Appellante verzocht om uitbetaling van basis- en vergroeningsbetaling voor 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. Voor perceel 24 werd een vanggewas ingezaaid met Engels raaigras, met uiterste inzaaidatum 15 oktober 2019.

Verweerder stelde bij het primaire besluit vast dat perceel 24 geen ecologisch aandachtsgebied vormde omdat geen vanggewas zichtbaar was in oktober en november 2019, hetgeen werd bevestigd door satellietbeelden en teledetectierapporten. Verweerder handhaafde dit standpunt bij het bestreden besluit.

Appellante voerde in beroep aan dat uit een grafiek van www.groenmonitor.nl en screenshots biomassa op perceel 24 bleek, maar verweerder weerlegde dit met aanvullende satellietbeelden en stelde dat het gebruikte zaaizaadmengsel niet voldeed aan de eis van een mengsel van gewassoorten.

Het College oordeelde dat verweerder terecht geen oppervlakte voor het ecologisch aandachtsgebied had toegekend omdat er geen zichtbaar vanggewas was in de relevante periode. De door appellante overgelegde gegevens waren onvoldoende om dit te weerleggen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat geen zichtbaar vanggewas aanwezig was op perceel 24 in oktober en november 2019.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/694

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2022 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: ing. R. Floot),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mr. L. Anvelink en mr. M.M.J. Hunting).

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2019 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).
Bij besluit van 1 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Aan de zijde van appellante is ook verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1
Met de Gecombineerde opgave 2019 heeft appellante verzocht om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2019. Een van de vergroeningseisen is – kort gezegd – dat 5% van het bouwland als ecologisch aandachtsgebied wordt ingezet. Om aan deze eis te voldoen heeft appellante gekozen voor de Algemene lijst. Zij wilde daarbij – voor zover hier van belang – perceel 24 inzaaien met Engels raaigras over een oppervlakte van 1,46 hectare (ha). Als uiterste inzaaidatum heeft zij 15 oktober 2019 ingevuld.
1.2
Op 8 januari 2020 is door verweerder een “Rapportage Controle ter Plaatse door middel van Teledetectie Najaar-/ wintercontrole Vergroening” (Rapportage Controle ter Plaatse) opgesteld.
1.3
Bij het primaire besluit heeft verweerder het bedrag vastgesteld dat appellante ontvangt voor de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling, waarbij hij – voor zover hier van belang – voor perceel 24 een oppervlakte ecologisch aandachtsgebied van 0,00 ha heeft geconstateerd en aan appellante een korting voor de vergroeningsbetaling heeft opgelegd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat perceel 24 niet voldoet aan de voorwaarden voor de inrichting van een ecologisch aandachtsgebied. Uit de Rapportage Controle ter Plaatse heeft hij afgeleid dat er in oktober en november 2019 op perceel 24 geen vanggewas is geconstateerd. Ook uit de satellietbeelden van het perceel maakt verweerder op dat in oktober en november 2019 op het perceel geen zichtbaar vanggewas is opgekomen. Pas op 21 maart 2020 is op een satellietfoto een opkomend gewas te zien. Bij het besluit is beeldmateriaal van perceel 24 gevoegd van 31 oktober 2019, 17 november 2019, 22 november 2019 en 21 maart 2020.
3. In beroep voert appellante, onder verwijzing naar screenshots van perceel 24 en een grafiek die de groenindex van het perceel weergeeft in het jaar 2019 van de site www.groenmonitor.nl, aan dat er wel degelijk sprake is van biomassa, en dat dus invulling is gegeven aan de teelt van een vanggewas voor het ecologisch aandachtsgebied.
4. In zijn verweerschrift herhaalt verweerder zijn standpunt dat in de maanden oktober en november 2019 op perceel 24 geen vanggewas is opgekomen. Bij het verweerschrift zijn ter onderbouwing daarvan aanvullende satellietbeelden van 25 november 2019 en 28 maart 2020 gevoegd, alsmede het eerdergenoemde Rapport Controle ter Plaatse met onder meer een waarneming teledetectie van 29 oktober 2019. Uit de door appellante overgelegde grafiek van www.groenmonitor.nl blijkt volgens verweerder niet dat er eind 2019 daadwerkelijk een vanggewas is opgekomen. Verder meent verweerder dat, mocht het College tot het oordeel komen dat appellante tijdig een vanggewas heeft ingezaaid dan wel dat sprake is van zichtbare bedekking met een vanggewas, appellante nog steeds niet voldoet aan de voorwaarden voor de inrichting van het ecologisch aandachtsgebied. Uit de door appellante op verzoek van verweerder toegezonden etiketten van het door hem gebruikte zaaizaadmengsel blijkt dat geen sprake is van een mengsel, omdat het door appellante gebruikte zaaizaadmengsel alleen uit Engels raaigras bestaat en niet is gecombineerd met een of meer andere vanggewassen, zoals is vereist.
5. Het College moet de vraag beantwoorden of verweerder de oppervlakte van perceel 24 terecht niet in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van het ecologisch aandachtsgebied. Het College overweegt hiertoe als volgt.
6.1
Op grond van artikel 43, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) moet een landbouwer die recht heeft op een betaling in het kader van de basisbetalingsregeling klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht nemen, waaronder de aanwezigheid van een ecologisch aandachtsgebied op het landbouwareaal.
6.2
Artikel 46, eerste lid, van Verordening 1307/2013 bepaalt – kort gezegd – dat, indien het bouwland van een bedrijf meer dan 15 hectare beslaat, de landbouwers ervoor zorgen dat een areaal dat ten minste 5% vertegenwoordigt van het bouwland van het bedrijf dat de landbouwer heeft aangegeven en, voor zover die gebieden als ecologisch aandachtsgebied worden beschouwd door de lidstaat, ecologisch aandachtsgebied is.
6.3
Op grond van artikel 45, negende lid, eerste alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 639/2014) vallen onder arealen met vanggewassen – voor zover hier van belang – arealen die zijn aangelegd door een mengsel van gewassoorten te zaaien. De lidstaten stellen de lijst van de mengsels van gewassoorten die moeten worden gebruikt op, en stellen op nationaal, regionaal of subregionaal niveau of op bedrijfsniveau de periode vast, waarin de arealen met vanggewassen of groenbedekking die zijn aangelegd door de inzaai van een mengsel van gewassoorten, aanwezig moeten zijn. Die periode mag niet korter zijn dan acht weken. De lidstaten kunnen aanvullende voorwaarden vaststellen, met name wat de productiemethoden betreft.
6.4
Artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsregeling bepaalt dat als ecologisch aandachtsgebied als bedoeld in artikel 46, eerste en tweede lid, van Verordening 1307/2013 wordt beschouwd: een areaal, anders dan het areaal waarop artikel 45, negende lid, tweede alinea, van Verordening 639/2014 van toepassing is, waarop combinaties van vanggewassen worden geteeld als bedoeld in bijlage 2, onder de voorwaarden die per categorie voor de desbetreffende soorten in deze bijlage zijn vermeld. In bijlage 2 bij artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder d, van de Uitvoeringsregeling – zoals deze bijlage luidde ten tijde van belang – staat onder meer:
“1. De landbouwer gebruikt ten minste 75% van de in de Aanbevelende Rassenlijst voor landbouwgewassen, CSAR, aanbevolen hoeveelheid zaaizaad, of draagt zorg voor een zichtbare bedekking met het vanggewas.
2. Vanggewassen worden vóór 16 oktober van het jaar van aanvraag gezaaid.
(…)
6. Een combinatie van vanggewassen bestaat uit een zadenmengsel van ten minste twee soorten. “
7.1
Het College is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in de maanden oktober en november 2019 geen zichtbaar vanggewas is opgekomen op perceel 24. Redengevend hiervoor is het door verweerder overgelegde beeldmateriaal, te weten de eerdergenoemde luchtfoto’s en beelden van teledetectie uit de periode oktober/november, alsmede de in het verweerschrift en ter zitting gegeven toelichting daarop. Op basis hiervan kan geen twijfel bestaan over de door verweerder dienaangaande getrokken conclusies. Dat de door appellante overlegde gegevens van www.groenmonitor.nl zouden wijzen op de aanwezigheid van ‘biomassa’ in die maanden op het perceel maakt dit niet anders. Zoals verweerder heeft opgemerkt kan uit deze gegevens niet worden afgeleid dat eind 2019 ter plaatse daadwerkelijk een vanggewas is opgekomen.
7.2
Het ontbreken van een zichtbare bedekking met vanggewas op perceel 24 betekent dat reeds hierom terecht een korting op de vergroeningsbetaling is toegepast. Het College zal daarom verder buiten bespreking laten hetgeen partijen overigens verdeeld houdt.
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van appellante ongegrond is. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van
mr. C.H.R. Mattheussens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
18 januari 2022.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.