Appellante, een reisorganisatie ingeschreven sinds januari 2019, vroeg subsidie aan op grond van de TVL-regeling vanwege omzetverlies door de COVID-19 crisis. Verweerder wees de aanvraag af omdat appellante in de referentieperiode (april-september 2019) geen omzet had volgens haar btw-aangiften.
Appellante stelde dat zij wel omzet had behaald via juridisch bindende overeenkomsten met klanten in 2019, die echter niet in de btw-aangiften tot uiting kwamen omdat omzet pas bij betaling wordt verantwoord. Zij betoogde dat deze verplichtingen als omzet moeten worden beschouwd voor de TVL.
Het College oordeelde dat de TVL-regeling strikt uitgaat van omzet zoals aangegeven in de btw-aangiften bij ondernemingen die btw betalen. Juridisch bindende verplichtingen zonder daadwerkelijke omzet in de referentieperiode kunnen niet als omzet worden meegeteld. Ook is er geen hardheidsclausule om hiervan af te wijken.
Verder concludeerde het College dat het beroep ongegrond is en dat er geen sprake is van onevenredige nadelige gevolgen. De subsidieaanvraag is terecht afgewezen omdat geen omzetverlies is vastgesteld. De beroepsgrond dat een andere SBI-code zou leiden tot een ander resultaat werd niet behandeld omdat de eerste gronden faalden.
De uitspraak is gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 18 januari 2022 en bevestigt de strikte toepassing van de TVL-regeling op basis van omzetbelastingaangiften.