ECLI:NL:CBB:2022:353

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 juli 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
20/1025
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet tuchtrechtspraak accountantsVerordening gedrags- en beroepsregels accountantsNadere voorschriften permanente educatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen maatregel wegens niet voldoen aan PE-verplichting accountants

Appellant, voorheen registeraccountant, werd door de accountantskamer gesanctioneerd met een waarschuwing en een geldboete wegens het niet voldoen aan de permanente educatie (PE)-verplichting in de driejaarscyclus 2016-2018. De accountantskamer oordeelde dat appellant minder dan 120 uren aan PE-activiteiten had besteed en daarmee in strijd handelde met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

In hoger beroep stelde appellant dat hij wel voldoende PE-activiteiten had verricht, waaronder werkervaring opgedaan tijdens acquisities en deelname aan cursussen, maar deze niet tijdig had geregistreerd. De Nba erkende dat de verrichte, maar niet geregistreerde activiteiten conform vaste gedragslijn alsnog in aanmerking konden worden genomen en trok het klachtonderdeel over de registratieplicht in.

Het College van Beroep oordeelde dat appellant aan zijn PE-verplichting had voldaan en dat de gegrondverklaring van het klachtonderdeel over onvoldoende PE-activiteiten niet in stand kon blijven. De bestreden uitspraak werd vernietigd, de maatregel van waarschuwing en geldboete kwamen te vervallen, en het klachtonderdeel werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de tuchtmaatregel wegens onvoldoende PE-activiteiten wordt vernietigd.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/1025

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2022 op het hoger beroep van:

[naam] , voorheen registeraccountant, appellant

tegen de uitspraak van de accountantskamer van 20 november 2020, gegeven op een klacht, door de
Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants(Nba) ingediend tegen appellant,
(gemachtigde van de Nba: mr. A. Sukkel).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
20 november 2020, met nummer 20/1323 Wtra PE (niet gepubliceerd).
De Nba heeft een schriftelijke reactie op het hoger beroepschrift gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2022. Appellant is verschenen. De Nba heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.
1.2
Appellant stond in de jaren 2016, 2017 en 2018 (de driejaarscyclus) in het accountantsregister ingeschreven als accountant in business.
1.3
Appellant heeft voor het kalenderjaar 2016 48 uren aan activiteiten op het gebied van permanente educatie (PE) geregistreerd. Voor de jaren 2017 en 2018 heeft appellant geen PE-activiteiten geregistreerd.
1.4
Appellant heeft niet gereageerd op de brieven van de Nba waarin hem werd verzocht zijn verrichte PE-activiteiten te registreren, dan wel het tekort aan PE-activiteiten in te halen en deze activiteiten te registreren.
1.5
Appellant heeft zich per 21 mei 2021 uitgeschreven uit het accountantsregister.

Uitspraak van de accountantskamer

2.1
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, luidt:
Appellant heeft gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. De Nba verwijt appellant het volgende:
a. appellant heeft minder dan 120 uren aan PE-activiteiten besteed in de driejaarscyclus 2016-2018;
b. als zou blijken dat appellant wel voldoende uren aan PE-activiteiten heeft besteed, dan heeft hij niet voldaan aan de registratieplicht.
2.2
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer geoordeeld dat appellant in strijd heeft gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid door niet te voldoen aan de verplichting om in de driejaarscyclus 2016-2018 minimaal 120 uren aan PE-activiteiten te besteden. Het klachtonderdeel a is daarom gegrond. De accountantskamer is hierdoor niet toegekomen aan de behandeling van klachtonderdeel b. Aan appellant is de maatregel van waarschuwing en een geldboete van € 5.040,- opgelegd.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3. Appellant vindt de aan hem opgelegde geldboete disproportioneel en voert in dat verband het volgende aan. Appellant heeft een commerciële functie en is nooit actief geweest als registeraccountant. Dit is de eerste keer dat appellant in strijd heeft gehandeld met de beroepsregels. Appellant heeft namelijk tot 2016 altijd zijn PE-activiteiten geregistreerd en heeft de registratie vanaf 2020 ook weer hervat. Door drukte met onder meer een tweetal acquisities en andere prioriteiten heeft appellant in 2017 en 2018 geen uren geregistreerd, terwijl hij wel voldoende PE-activiteiten heeft verricht: zo heeft appellant bij de uitvoering van een tweetal acquisities werkervaring opgedaan met een totale waarde van 40 PE-punten. In de aanvullende gronden wijst appellant erop dat hij daarnaast ook heeft deelgenomen aan twee cursussen. Verder merkt appellant op dat hij zich door de ontstane situatie genoodzaakt heeft gevoeld zich per 21 mei 2021 uit te schrijven uit het accountantsregister.
4. De Nba stelt voorop dat appellant zich diende te houden aan zijn PE-verplichting, omdat hij gedurende de driejaarscyclus in het accountantsregister stond ingeschreven. Hierdoor waren de Nadere voorschriften permanente educatie (NVPE) van toepassing op appellant. De NVPE bevat geen grond om daarvan wegens drukte te worden ontheven of vrijgesteld. In haar schriftelijke reactie op het hoger beroepschrift heeft de Nba naar voren gebracht dat zij ten aanzien van verrichte, maar nog niet geregistreerde activiteiten als vaste gedragslijn hanteert dat zij aanvaardt dat deze activiteiten in een tuchtrechtelijke procedure – ook in hoger beroep – alsnog in aanmerking worden genomen. De Nba geeft het College dan ook in overweging om de door appellant kennelijk verrichte activiteiten aan zelfstudie en
training on the job(de twee acquisities) voor een aanvullende 40 uren alsnog in aanmerking te nemen. Over de door appellant gevolgde cursussen heeft de Nba ter zitting naar voren gebracht dat uit navraag is gebleken dat deze voor registratie in aanmerking komen voor een aanvullende 32 uren. Het voorgaande betekent dat appellant voldoende PE-activiteiten heeft verricht in de driejaarscyclus, wat tot gevolg heeft dat de geldboete komt te vervallen. Verder heeft de Nba desgevraagd naar voren gebracht dat zij in dit soort gevallen het klachtonderdeel b, dat gaat over de registratieplicht, in procedures bij de accountantskamer doorgaans intrekt. Daarom trekt de Nba ook in deze procedure het klachtonderdeel b in.
5.1
Het College overweegt als volgt.
5.2
In paragraaf 2.5 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) is het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid nader uitgewerkt. Dit beginsel houdt, blijkens artikel 12 van Pro de VGBA, onder meer in dat de accountant zijn vakbekwaamheid op het niveau houdt dat is vereist om een professionele dienst op een adequate wijze te kunnen verlenen.
5.3
Ter uitwerking van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft het bestuur van de Nba de NVPE vastgesteld. Ingevolge artikel 2 van Pro de NVPE, zoals dit artikel gold ten tijde van belang – houdt de PE-verplichting voor de accountant, kort gezegd, in dat hij ten minste 120 PE-punten per driejaarscyclus behaalt, waarvan ten minste 20 PE-punten per kalenderjaar. Met de PE-verplichting wordt kwaliteitsbehoud in het vak beoogd.
5.4
Artikel 2, vijfde lid, van de NVPE bepaalt dat de accountant in business per driejaarscyclus minimaal 60 uur aan gestructureerde PE-activiteiten besteedt. In aanvulling daarop kan de accountant in business ongestructureerde PE-activiteiten verrichten met een maximum van 20 uur per kalenderjaar. De accountant registreert de door hem verrichte PE-activiteiten voor 31 maart in het daaropvolgende jaar (artikel 4, eerst lid, van de NVPE).
5.5
Het College is van oordeel dat, gelet op de in hoger beroep door appellant naar voren gebrachte omstandigheden en de nadere toelichting ter zitting, en in aanmerking nemende het nadere standpunt van de Nba daaromtrent, aangenomen moet worden dat appellant aan zijn PE-verplichting heeft voldaan. Dat appellant voldoende PE-activiteiten heeft verricht gedurende de driejaarscyclus heeft hij weliswaar niet tijdig geregistreerd, maar mede gelet op de hiervoor onder 4 uiteengezette vaste gedragslijn van de Nba, ziet het College aanleiding de door appellant in de aanvullende hoger beroepsgronden genoemde PE-activiteiten alsnog in aanmerking te nemen. De gegrondverklaring van klachtonderdeel a door de accountantskamer kan dan ook niet in stand blijven.
5.6
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep gegrond zal worden verklaard en de bestreden uitspraak zal worden vernietigd. Het College zal de zaak zelf afdoen en klachtonderdeel a alsnog ongegrond verklaren. Dit heeft tot gevolg dat zowel de maatregel van waarschuwing als de geldboete komen te vervallen. Immers, de accountantskamer heeft beide maatregelen opgelegd wegens het besteden van onvoldoende uren aan PE-activiteiten. Nu de Nba het door de accountantskamer niet beoordeelde klachtonderdeel b heeft ingetrokken, komt het College niet toe aan de behandeling van dat klachtonderdeel.
6. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.

Beslissing

Het College:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak;
- verklaart klachtonderdeel a ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. H.S.J. Albers en mr. F. van der Wel, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2022.
w.g. J.L.W Aerts w.g. K. Naganathar