Appellant, een pluimveebedrijf, kreeg een heffing opgelegd van €17.419,39 op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Na bezwaar verklaarde de minister het primaire besluit herroepen en stelde de heffing op nihil, maar weigerde vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten omdat de rechtsbijstand niet beroepsmatig zou zijn verleend.
Appellant voerde aan dat zijn gemachtigde veelvuldig en beroepsmatig rechtsbijstand verleent, met circa 130 lopende bezwaarprocedures bij RVO, en dat in eerdere procedures kosten wel werden vergoed. Het College oordeelde dat de rechtsbijstand inderdaad beroepsmatig was, omdat deze niet incidenteel was en een duurzaam onderdeel van de taakuitoefening vormde.
Het beroep werd gegrond verklaard en het bestreden besluit werd vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betrof. De proceskosten werden vastgesteld op €2.016,75, bestaande uit kosten in bezwaar en in beroep, waarbij het College de minister veroordeelde tot betaling van dit bedrag en het betaalde griffierecht van €174,- aan appellant terug te betalen.
De overige rechtsgevolgen van het bestreden besluit bleven in stand. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 12 juli 2022.