Verzoekster exploiteert een slachthuis waarvan de erkenning op 28 juni 2022 door verweerder met onmiddellijke ingang is geschorst vanwege een ernstig incident waarbij medewerkers dieren mishandelden. De schorsing is gebaseerd op het feit dat een stalmedewerker schapen schopte en sloeg, terwijl een andere medewerker niet ingreep.
Verzoekster maakte bezwaar tegen de schorsing en vroeg om een voorlopige voorziening. Zij erkent het incident, heeft de betrokken medewerkers ontslagen en maatregelen genomen. Verzoekster stelt dat het offerfeest nabij is, waarbij zij een aanzienlijk deel van haar omzet realiseert, en dat de schorsing ernstige gevolgen heeft.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de schorsing volledig op één incident berust en dat verzoekster adequaat heeft gereageerd. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom de respons onvoldoende is. Bovendien is het spoedeisend belang gegeven vanwege het naderende offerfeest en de stillegging van het slachtproces.
De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen en de schorsing geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan verzoekster vergoed.