Appellant, ingeschreven als accountant in business in de jaren 2016-2018, werd door de accountantskamer gesanctioneerd wegens het niet voldoen aan de permanente educatie (PE)-verplichting. De accountantskamer stelde vast dat appellant in die driejaarscyclus minder dan 120 uur aan PE-activiteiten had besteed, wat in strijd was met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Hierdoor werden een waarschuwing en een geldboete van € 2.730 opgelegd.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel voldoende PE-activiteiten had verricht, maar deze niet tijdig had geregistreerd. Hij gaf aan dat hij sinds tien jaar in het buitenland woonde en zijn post naar een familielid in Nederland werd gestuurd, wat de communicatie bemoeilijkte. Appellant overhandigde een overzicht waaruit bleek dat hij in 2018 44 uur aan PE had besteed. De Nba erkende in hoger beroep dat deze uren alsnog in aanmerking genomen konden worden en trok het klachtonderdeel over de registratieplicht in.
Het College van Beroep oordeelde dat appellant aan zijn PE-verplichting had voldaan en verklaarde klachtonderdeel a ongegrond. Hierdoor vervielen de opgelegde maatregelen van waarschuwing en geldboete. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de accountantskamer vernietigd. De zaak werd met toepassing van artikel 43i Wtra zelf afgedaan.