ECLI:NL:CBB:2022:430

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
26 juli 2022
Publicatiedatum
19 juli 2022
Zaaknummer
21/140
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.5.12 Regeling nationale EZK- en LNV-subsidiesArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidie warmtepomp wegens reeds verleende subsidie aan installateur

Appellant diende een aanvraag in voor een investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) voor een warmtepomp in zijn nieuwe koopwoning binnen een project met meerdere woningen. Hij kocht de warmtepomp van de installateur die ook de warmtepompen in het project plaatste. Verweerder wees de subsidieaanvraag af omdat voor dezelfde warmtepomp al subsidie was verstrekt aan de installateur.

Appellant betwistte de afwijzing omdat hij de warmtepomp had betaald en aan alle subsidievoorwaarden voldeed. Hij stelde dat verweerder had moeten controleren of de subsidie was aangevraagd door de daadwerkelijke koper en had moeten nagaan of afstandsverklaringen waren ondertekend. Tijdens de zitting verklaarde de gemachtigde van appellant echter dat het bezwaar niet was gericht tegen de subsidieverstrekking aan de installateur.

Het College oordeelde dat de regeling niet vereist dat verweerder nagaat wie de subsidie aanvraagt en ontvangt, noch dat hij afstandsverklaringen controleert. Omdat appellant niet bedoeld had bezwaar te maken tegen de subsidieverstrekking aan de installateur, staat deze vast. Ook werd overwogen dat het achterwege laten van een hoorzitting niet tot benadeling heeft geleid, omdat appellant telefonisch zijn standpunt had toegelicht en in beroep gelegenheid had gehad dit verder toe te lichten.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard en de subsidieaanvraag wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/140

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , appellant

(gemachtigde: [naam 2] ),
en

de minister van Economische zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Wullink).

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2020 heeft verweerder de door appellant aangevraagde investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) voor een warmtepomp afgewezen.
Bij besluit van 12 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2022. Aanwezig waren de gemachtigde van appellant, bijgestaan door [naam 3] , en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Appellant heeft op 3 september 2020 een aanvraag ingediend voor een investeringssubsidie duurzame energie (ISDE) voor een warmtepomp. Bij deze aanvraag heeft hij een factuur overgelegd van de door hem aangeschafte warmtepomp. Appellant heeft deze factuur betaald. De warmtepomp is geplaatst in appellantes nieuwe koopwoning. Deze koopwoning is onderdeel van een project met meerdere koopwoningen. Aan de kopers van de nieuwbouwwoningen in het project is de keuze gelaten om de warmtepomp te huren of te kopen. Appellant heeft ervoor gekozen om de warmtepomp te kopen. Hij heeft de warmtepomp gekocht van de installateur van de warmtepompen in de koopwoningen van het project. Volgens appellant is hij een van de weinigen geweest die voor koop heeft gekozen en zou de installateur er bij de subsidie-aanvraag vanuit gegaan kunnen zijn dat alle huizenkopers in het project de warmtepomp hebben gehuurd. Appellant heeft geen afstandsverklaring voor de subsidie ondertekend.
2. Verweerder heeft de aanvraag van appellant afgewezen, omdat voor de door appellant aangeschafte warmtepomp al subsidie was verstrekt aan de installateur. Verweerder heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat aan de installateur subsidie is verleend en vastgesteld voor de warmtepomp van appellant.
3. Appellant is het er niet mee eens dat de subsidie aan de installateur is gegeven en niet aan hem, omdat hij degene is geweest die de investering heeft gedaan en de warmtepomp heeft betaald. Appellant stelt aan alle subsidievoorwaarden te voldoen. Het kan volgens appellant niet de bedoeling van de regeling zijn dat de subsidie wordt verleend aan de installateur, omdat die slechts een doorgeefluik is en niet voor de warmtepomp heeft betaald. Appellant stelt dat verweerder had moeten controleren of de subsidie is aangevraagd door de daadwerkelijke koper en betaler van de warmtepomp en zich ervan had moeten vergewissen of er afstandsverklaringen waren. Appellant verwerpt de suggestie van verweerder dat hij zelf maar moet proberen om de subsidie bij de installateur terug te halen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant verklaard dat, ondanks het voorgaande, het bezwaar van appellant beslist niet moet worden opgevat als een bezwaarschrift tegen de toekenning en vaststelling van de subsidie voor de installateur. Verder heeft appellant in beroep aangevoerd dat hij verweerder niet heeft meegedeeld dat hij ervan afzag om te worden gehoord op zijn bezwaar.
4. Verweerder heeft de subsidie-aanvraag van appellant afgewezen op grond van artikel 4.5.12, eerste lid, aanhef onder d, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. Hierin was bepaald dat verweerder afwijzend beslist op een aanvraag als voor dezelfde installatie voor de productie van duurzame energie reeds subsidie is verstrekt.
5. Het College is van oordeel dat verweerder de subsidie-aanvraag van appellant terecht heeft afgewezen. Omdat voor de bij appellant geïnstalleerde warmtepomp al subsidie is verstrekt aan de installateur, is de weigeringsgrond, zoals hiervoor onder 4 weergegeven, van toepassing. Nu appellant te kennen heeft gegeven dat hij niet heeft bedoeld bezwaar te maken tegen die subsidieverstrekking, staat de subsidieverstrekking aan de installateur vast. Anders dan appellant veronderstelt vereist de regeling niet dat verweerder nagaat of er afspraken zijn gemaakt over wie de subsidie aanvraagt en ontvangt. Verweerder hoeft ook niet na te gaan of er afstandsverklaringen zijn.
6. Over het achterwege laten van een hoorzitting in bezwaar overweegt het College dat op grond van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een belanghebbende worden gehoord voordat een bestuursorgaan op een bezwaar beslist. In artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb is bepaald dat van het horen kan worden afgezien als de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Het College stelt vast dat in het dossier een telefoonnotitie van verweerder zit van 6 december 2020 waarin staat dat appellant heeft meegedeeld af te zien van een hoorzitting. Voor zover appellant betwist dat hij deze telefonische mededeling heeft gedaan overweegt het College dat het horen bedoeld is om nadere informatie te verkrijgen, zodat het bestuursorgaan over alle feiten en omstandigheden beschikt teneinde een volledige heroverweging van het bestreden besluit te kunnen verrichten. Uit de telefoonnotitie van 6 december 2020 blijkt dat appellant zijn standpunt telefonisch heeft toegelicht. De feiten en omstandigheden om een volledige heroverweging te kunnen verrichten waren dus aan verweerder bekend voordat hij op het bezwaar van appellant besliste. Het College vindt het daarom niet aannemelijk dat appellant door het (gestelde) niet horen is benadeeld. Daarnaast is appellant in beroep in de gelegenheid geweest om zijn standpunt toe te lichten en heeft hij dat ook gedaan. Daarmee is een eventuele schending van de hoorplicht voldoende hersteld. Als de hoorplicht al geschonden zou zijn, dan ziet het College daarom geen aanleiding om daaraan consequenties te verbinden.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2022.
w.g. J.H. de Wildt w.g. M.B. van Zantvoort