uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2022 in de zaak tussen
Stichting [naam 1], te [woonplaats 1] , appellante
(gemachtigde: mr. J.L. Baar),
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. E.M. Scheffer).
Bij besluit van 26 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van drie voorschriften van het Besluit houders van dieren (Bhd).
Bij besluiten van 8 juni 2020 (de primaire invorderingsbesluiten I en II) heeft verweerder vastgesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom, appellante meegedeeld dat zij bij twee controles telkens de drie voorschriften van het Bhd heeft overtreden en is verweerder overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen.
Bij besluit van 16 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 mei 2021 (het bestreden invorderingsbesluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire invorderingsbesluiten I en II gegrond verklaard en de hoogte van de verbeurde dwangsommen per controle aangepast.
Bij brief van 8 juni 2021 heeft appellante haar beroepsgronden aangevuld.
Bij besluit van 1 juli 2021 (het primaire invorderingsbesluit III) heeft verweerder vastgesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom, appellante meegedeeld dat zij bij een controle de drie voorschriften van het Bhd heeft overtreden en is verweerder overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 12 mei 2022, 25 mei 2022, 3 juni 2022, 8 juni 2022, 15 juni 2022 en 22 juni 2022 heeft verweerder aanvullende stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2022. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Aan de zijde van appellante zijn ook verschenen [naam 2] , [naam 3] ( [naam 3] ) en [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verweerder is ook verschenen H.J. Legters, toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
1.1 Appellante is een non-profit organisatie die zich – kort gezegd – bezighoudt met het opvangen, resocialiseren en herplaatsen van (zwerf)honden.
1.2 Naar aanleiding van verschillende meldingen hebben twee toezichthouders van de NVWA op 3 oktober 2019 een bezoek gebracht aan het bedrijf van appellante. De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in het rapport van bevindingen van 28 januari 2020 (rapport). In het rapport, dat onder meer ook door de toezichthouders gemaakte foto’s bevat, staat over de controle op 3 oktober 2019 – voor zover van belang – het volgende:
“Tijdens dit bezoek zagen wij dat er 3 honden in een schuur werden gehouden. (…) Wij zagen dat deze honden in een bench werden gehouden. Wij zagen dat deze benches wel erg aan de kleine kant waren. Wij spraken daar [naam 2] op aan. Zij verklaarde (…) het volgende inzake de honden in de benches:
“Ik weet het van de honden in de benches. Ik heb een verklaring van de gedragstherapeut, [naam 3] in [woonplaats 2] . We trainen met deze honden bij een gedragstherapeut. Ze zitten ongeveer 20 uur per dag in de bench. De honden moeten worden gehouden in een prikkelarme omgeving. Vraag het maar na. Ik ga ze er niet uit doen.””
1.3 Op 17 oktober 2019 hebben twee toezichthouders van de NVWA opnieuw een bezoek gebracht aan het bedrijf van appellante. De toezichthouders hebben hun bevindingen van dit bezoek ook neergelegd in het rapport. In het rapport staat over de controle op 17 oktober 2019 – voor zover van belang – het volgende:
“Wij zagen dat de drie honden nog steeds in de bench werden gehouden. (…) Wij zagen dat [naam 5] bezig was de honden (…) uit de benches om te wisselen met de hond op het speelveld. (…) Wij hebben haar gevraagd naar de omstandigheden waaronder de honden in de benches werden gehouden.
“Deze [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] werden teruggebracht. [naam 8] een maand of twee geleden de anderen zitten al langer hier. Ze worden om en om op de speelweide uitgelaten. Daarna zitten ze weer in de bench. Ze zitten permanent in de bench.””
1.4 Op 15 november 2019 hebben twee toezichthouders van de NVWA en een toezichthoudend dierenarts van de NVWA het bedrijf van appellante wederom bezocht. De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in het rapport. De toezichthoudend dierenarts heeft zijn bevindingen neergelegd in een veterinaire verklaring van 27 november 2019 (veterinaire verklaring, gevoegd bij het rapport). Over de bevindingen van de toezichthouders met betrekking tot de controle op 15 november 2019 staat in het rapport
– voor zover van belang – het volgende:
“Wij zagen dat opnieuw dezelfde honden in de bench zaten opgesloten. Wij zagen dat er nu in totaal 5 honden in een bench waren gehuisvest. (…) De twee honden [naam 9] en [naam 10] zouden al snel weer geplaatst worden. Ze zaten daar omdat [naam 2] de ziekte Lepto in haar bedrijf heeft. Ze kan de honden niet op een andere plaats huisvesten omdat de huisvesting in de rest van het bedrijf Besmet is. Ze blijft bij haar standpunt dat de honden daar op therapeutisch basis zitten gehuisvest.”
In de veterinaire verklaring staat over de aangetroffen situatie onder meer:
“(…) Ik hoorde de honden in de benches al voor het openen van de deuren luid blaffen. Na het openen van de deuren kwamen we in een onverlichte ruimte waar zich 5 benches, met in elke bench één hond, bevonden. Ik zag dat de deuren van alle benches afgesloten waren. Ik zag dat de honden niet uitgestrekt konden liggen in de benches.
Ik zag en hoorde dat in ieder geval 4 van de honden, bij het benaderen door mijn collega inspecteur, die beeldmateriaal verzamelde en de benches ging meten, luid blaften en wild heen en weer bewogen in de benches en daarbij veelvuldig in contact kwamen met de stalen draadroosters waar de benches van waren gemaakt. (…)
Ik zag dat de ruimte tussen de schoft en de bovenkant van de benches bij de honden in benches 2 tot en met 5 ongeveer 20 cm was. Ik zag dat de honden veel bewogen, maar dat ze als ze rustig rechtop zouden staan, bijna met hun kop en zeker met hun oren, de draadstalen bovenzijde van de bench zouden raken De jongste hond in bench 1 had wat meer ruimte boven zijn lijf tot de bovenkant van de bench (…)
Ik hoorde Mw. [naam 2] zeggen dat de honden in bench 1 en 5, respectievelijk [naam 9] en [naam 11] , 'nieuw' waren. (…) Ik hoorde Mw. [naam 2] zeggen dat deze 2 nieuwe honden hier zaten sinds het bezoek van mijn collega inspecteur op 17 oktober jongstleden.
Ik hoorde Mw. [naam 2] zeggen dat de andere 3 honden niet gemakkelijk herplaatsbaar waren en al langer in de benches zaten. Desgevraagd verklaarde ze als volgt: " [naam 8] zit er sinds 21.05.19 en [naam 6] zit er sinds begin 2019 en [naam 7] zit er sinds 26.03.19". Ik hoorde haar zeggen dat de honden 18 tot 20 uur per dag zaten opgesloten in de benches. Ik hoorde Mw. [naam 2] zeggen: "honden slapen ook zolang, dat kunnen ze net zo goed in een bench doen als op de bank". Ik hoorde Mw. [naam 2] zeggen dat dit op advies was van een gedragstherapeut voor honden.
Ik hoorde haar desgevraagd zeggen dat de gedragstherapeut [naam 3] uit [woonplaats 2] was en dat er een verklaring van deze gedragstherapeut naar mijn collega was verstuurd. (…) In mijn optiek is dit een algemeen verhaal en bevat het zeker geen diagnose en behandelplan voor specifiek deze honden.
Ik hoorde Mw. [naam 2] zeggen dat de honden in "liefst zo klein mogelijke" benches in een
zoveel als mogelijk prikkelarme omgeving moesten worden gehuisvest. (…)
Tijdens het gesprek, na afloop van het meten, met Mw. [naam 2] voor de gesloten deuren
van de schuur zag ik haar moeder naar binnen gaan en vervolgens één voor één de honden
uitlaten aan een riem. Dit uitlaten gebeurde in ongeveer 5 minuten per hond over een deel
van het terrein van de locatie.
(…)
Het zogenaamde prikkelarm opsluiten in kleine benches met gesloten deuren, in een afgesloten
ruimte/schuur veroorzaakt veel stress en angst. Er komen zoals tijdens deze controle wel prikkels binnen (geluiden en geuren), maar ze kunnen er niet normaal op reageren (onderzoeken en interactie aangaan c.q. adapteren). De honden kunnen zich zo niet aanpassen aan hun leefomgeving en hetgeen wat er op ze af komt omdat ze niet kunnen zien aankomen wat er gebeurd. Ze krijgen maar een deel van de prikkel binnen en kunnen onmogelijk weten wat dat is, waar dat vandaan komt en of dat bedreigend of wat dan ook is. Het beperkt de honden in hun adaptatie aan de omgeving. Dit veroorzaakt angst en chronische stress.
Langdurige opsluiting gedurende 18 tot 20 uur per etmaal in een te kleine ruimte, in dit geval de bench met gesloten deur in een permanent gesloten schuur, maakt het onmogelijk dat de honden hun natuurlijke en normale gedrag kunnen uitvoeren.
Er is geen enkele medische indicatie of gedragstherapie die het rechtvaardigt honden gedurende een zo lange tijd op te sluiten in benches of ruimtes van deze afmetingen waar de hond zich alleen in mag bevinden voor kort transport. (…)
1.5 Op 13 december 2019 hebben een toezichthouder van de NVWA en voornoemde toezichthoudend dierenarts van de NVWA het bedrijf van appellante nogmaals bezocht. De toezichthouder heeft zijn bevindingen neergelegd in het rapport. De toezichthoudend dierenarts heeft zijn bevindingen neergelegd in een veterinaire verklaring van 17 januari 2020. Over de bevindingen van de toezichthouder met betrekking tot de controle op 13 december 2019 staat in het rapport – voor zover van belang – het volgende:
“Ik zag in de schuur dat er nog steeds honden in benches werden gehuisvest.”
1.6 Bij het primaire besluit heeft verweerder – op basis van het rapport en conform zijn voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom – aan appellante een last onder dwangsom opgelegd, omdat zij in strijd heeft gehandeld met artikel 3.12, eerste lid, onder a, b en e, van het Bhd. De hoogte van de dwangsom per overtreding bedraagt € 1.500,-, tot een maximum van € 4.500,- per overtreding voor de duur van één jaar. In de last heeft verweerder appellante opgedragen de volgende maatregelen te treffen om de begane overtredingen op te heffen: