Appellant, exploitant van een melkveehouderij, betwistte de vaststelling van zijn fosfaatrecht en de omvang van de verleende ontheffing. Verweerder had het fosfaatrecht vastgesteld op basis van de dierenaantallen op 2 juli 2015, inclusief een bedrijfsoverdracht, en een generieke korting toegepast.
Na eerdere procedures en herzieningsbesluiten werd het geschil over de juiste omvang van het fosfaatrecht en de ontheffing voortgezet. Appellant stelde onder meer dat het fosfaatrecht te hoog was vastgesteld en dat de melkproductie van 2018 in plaats van 2015 als referentie moest dienen.
Het College oordeelde dat het beroep tegen het eerste herzieningsbesluit niet-ontvankelijk is omdat dit was vervangen door het tweede herzieningsbesluit. Het beroep tegen het tweede herzieningsbesluit werd ongegrond verklaard. Het College bevestigde dat de peildatum 2 juli 2015 leidend is voor de vaststelling van het fosfaatrecht en de ontheffing, en dat de gebruikte berekeningsmethode niet onevenredig is en appellant gelijk behandelt ten opzichte van andere melkveehouders.
Tot slot werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van appellant.