Appellant heeft een aanvraag ingediend voor de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het eerste kwartaal van 2021. Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat de forfaitaire vaste lasten, berekend als 25% van de omzet in de referentieperiode (Q1 2019), niet minimaal €1.500 bedroegen. Appellant voerde aan dat zijn daadwerkelijke vaste lasten hoger zijn, maar hij had een lage omzet in de referentieperiode omdat hij eind 2018 was gestart.
Het College bevestigt dat de regeling werkt met een forfaitair systeem waarbij vaste lasten worden vastgesteld op basis van een percentage van de omzet gekoppeld aan de SBI-code van de onderneming, in dit geval 25% voor eet- en drinkgelegenheden. Dit systeem laat geen ruimte voor afwijking op basis van werkelijke lasten van individuele ondernemers.
Het College oordeelt dat deze forfaitaire systematiek niet in strijd is met het bestuursrecht en dat verweerder terecht geen rekening heeft gehouden met de hogere werkelijke vaste lasten van appellant. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.