ECLI:NL:CBB:2022:790
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat om de aan haar verleende subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 ambtshalve in te trekken wegens het ontbreken van het vereiste omzetverlies van ten minste 30%.
De kern van het geschil betreft de vraag of de omzetgegevens zoals opgegeven in de aangiften omzetbelasting een juiste basis vormen voor de berekening van het omzetverlies. Appellante stelde dat een deel van haar omzet niet in de aangiften was verwerkt omdat deze omzet was gecrediteerd op facturen en omdat omzet buiten de Europese Unie niet in de Nederlandse aangifte werd opgenomen.
Het College stelde vast dat de minister terecht uitging van de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting, conform artikel 2.1.2 van de TVL, en dat de door appellante aangevoerde omzet niet als omzet was verantwoord in de aangiften. Daarnaast was niet aannemelijk gemaakt hoeveel omzet buiten de EU was gegenereerd. Daarom werd deze omzet terecht buiten beschouwing gelaten. Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de subsidie bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de subsidie bevestigd.