ECLI:NL:CBB:2022:802

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
13 december 2022
Publicatiedatum
12 december 2022
Zaaknummer
22/128
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 2:14 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar subsidie TVL MKB COVID-19

De zaak betreft een beroep van V.O.F. [naam 1] tegen een besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarbij het bezwaar tegen de vaststelling van de subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL 1) niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding.

Het oorspronkelijke TVL-besluit dateert van 31 maart 2021, met een bezwaartermijn die eindigde op 12 mei 2021. Het bezwaarschrift van appellant werd echter pas op 5 oktober 2021 ontvangen, ruim na de termijn. Appellant had op het aanvraagformulier expliciet ingestemd met digitale berichtgeving, waarop de minister het besluit digitaal heeft verzonden.

Hoewel appellant stelde het bericht niet te hebben kunnen vinden, had zij volgens het College actie moeten ondernemen om navraag te doen bij RVO. Dit nalaten leidt tot de conclusie dat er geen verschoonbare termijnoverschrijding is. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/128

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 december 2022 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellante ( [naam 1] )

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder (de minister)

(gemachtigden: mr. S.M. Piron, mr. R.E. Groenewold, mr. M. van den Brink, mr. G.O. Hoeksma).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2021 (het TVL-besluit) heeft de minister de aan [naam 1] verleende subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID19 (TVL 1) voor de periode juni tot en met september 2020 vastgesteld op nihil.
Bij besluit van 6 december 2021 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] niet-ontvankelijk verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft de zaak op 14 september 2022 op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben alleen de eerste twee gemachtigden van de minister deelgenomen. Aan het eind van de zitting heeft het College het onderzoek gesloten.
Nadien is aan het College de aangetekende brief aan [naam 1] met de uitnodiging voor de zitting als onbestelbaar geretourneerd. In de reactie van [naam 1] op de nogmaals per gewone postzending verzonden uitnodiging voor de zitting heeft het College aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
Het College heeft de zaak op 1 december 2022 nogmaals op een zitting behandeld. Aan de zitting hebben [naam 2] , bijgestaan door [naam 3] , en de laatste twee gemachtigden van de minister deelgenomen

Overwegingen

1. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het volgende geregeld. De bezwaartermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen (artikel 6:9, eerste lid). De bezwaartermijn begint te lopen met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6:8, eerste lid). Is een bezwaarschrift buiten de termijn ingediend, dan is het in beginsel nietontvankelijk. Indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, kan niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven (artikel 6:11). Dan is de termijnoverschrijding verschoonbaar.
2. Dit betekent het volgende voor de zaak van [naam 1] .
3. Het TVL-besluit is bekend gemaakt op 31 maart 2021. De bezwaartermijn eindigde dus op 12 mei 2021. Het bezwaarschrift, gedateerd op 30 september 2021, is op 4 oktober 2021 per aangetekende post naar de minister verstuurd en op 5 oktober 2021 door de minister ontvangen. [naam 1] heeft het bezwaarschrift dus niet binnen de daarvoor gestelde termijn van zes weken ingediend.
4. Naar het oordeel van het College heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat [naam 1] geen goede redenen had voor de termijnoverschrijding.
5. Het College stelt vast dat [naam 1] op het aanvraagformulier dat hij op 3 juli 2020 heeft ondertekend en ingediend, expliciet toestemming heeft gegeven om over de aanvraag alleen digitaal bericht te ontvangen, door op het formulier de stelling “Ik ontvang alleen digitaal bericht over deze aanvraag” met “Ja” te beantwoorden. [naam 1] heeft aldus bewust ingestemd met verdere digitale correspondentie. Hiermee mocht de minister op grond van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb het besluit digitaal verzenden. De minister heeft in de bijlage bij het verweerschrift een afschrift overgelegd van de notificatiemail die op 31 maart 2021 is verstuurd naar het door [naam 1] op het aanvraagformulier ingevulde e-mailadres.
6. [naam 1] heeft een verklaring overgelegd van een medewerker, gedateerd 7 oktober 2022, dat op 31 maart 2021 inderdaad een notificatiemail is ontvangen dat er een bericht over de TVL-aanvraag klaar stond, maar dat het bericht zelf onvindbaar was op mijn.rvo. Ook als dit juist is, had van [naam 1] verwacht mogen worden dat zij actie zou ondernemen door navraag over het bericht te doen bij RVO. Dat heeft zij nagelaten, en het gevolg daarvan dient voor rekening te komen van [naam 1] . De minister heeft het bezwaar van [naam 1] daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
7. Omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, komt het College niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het TVL-besluit, waarin de minister de aan [naam 1] verleende subsidie op nihil heeft vastgesteld.
8. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2022.
w.g. J.H. de Wildt w.g. M.B.L. van der Weele