Appellante, exploitant van een winkel in chocolade en suikerwerk, verzocht om vaststelling van de TVL-subsidie voor juni tot en met september 2020. Verweerder stelde aanvankelijk de subsidie vast op nul en vorderde terugbetaling van een voorschot. Na bezwaar werd het primaire besluit herroepen en de subsidie vastgesteld op €1.799,03.
Appellante voerde aan ten onrechte geen opslag voor Horeca Voorraad en Aanpassingen (HVA) en Voorraad Gesloten Detailhandel (VGD) te hebben ontvangen en stelde dat zij recht had op vergoeding van proceskosten. Verweerder stelde dat de opslag HVA en VGD pas vanaf het vierde kwartaal 2020 beschikbaar waren en dat proceskosten alleen in bezwaar vergoed worden indien daartoe is verzocht.
Het College oordeelde dat appellante terecht geen aanspraak kon maken op de opslag HVA en VGD in de betreffende subsidieperiode, en dat er geen strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Vergoeding van proceskosten in bezwaar werd afgewezen omdat het primaire besluit niet onrechtmatig was. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten in beroep tot €759,-. Het beroep tegen het vervangingsbesluit werd ongegrond verklaard.