Appellante, actief in de audiovisuele sector, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 en het derde kwartaal van 2021. Verweerder wees deze aanvragen af omdat het omzetverlies niet voldeed aan de vereiste drempel van 30%, gebaseerd op de aangifte omzetbelasting. Appellante stelde dat het omzetverlies wel meer dan 30% bedroeg wanneer berekend op basis van haar financiële administratie, mede vanwege de verleggingsregeling waardoor een deel van de omzet niet in de omzetbelastingaangifte zou zijn opgenomen.
Het College oordeelde dat de regeling uitdrukkelijk voorschrijft dat de omzet wordt bepaald aan de hand van de aangifte omzetbelasting, tenzij anders blijkt. Verweerder toonde aan dat ook de omzet die onder de verleggingsregeling viel, in de aangifte was opgenomen. Het feit dat appellante vooruit factureerde, was een boekhoudkundige keuze die geen aanleiding gaf tot afwijking van het uitgangspunt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen toezegging was gedaan dat de omzet ook op basis van de administratie mocht worden aangetoond.
Het College concludeerde dat appellante onvoldoende inzicht had gegeven in afwijkingen door suppletieaangiften en dat de afwijzing niet onevenredig was. De beroepen werden ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.