ECLI:NL:CBB:2023:131
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.L. van der Beek
- T. Pavićević
- H. van den Heuvel
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen invordering dwangsom wegens overtreding verzorgingsmaatregelen dieren
De minister legde op 10 maart 2020 een last onder dwangsom op aan de houder van dieren vanwege diverse overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Na controle op 2 april 2020 stelde de minister vast dat niet aan meerdere maatregelen was voldaan en vorderde een dwangsom van €7.000,-. De houder voerde aan dat hij tijdens zijn detentie derden had ingeschakeld voor de verzorging en dat het water voor de dieren wel vers was, maar de bakjes niet goed schoon waren.
Het College overwoog dat de minister terecht uitging van het rapport van bevindingen van de toezichthouders, die meerdere tekortkomingen constateerden, zoals het ontbreken van schoon drinkwater, onvoldoende zachte ligplaatsen voor honden en onvoldoende verzorging. De verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de last ligt bij de houder, ook tijdens diens detentie. De financiële situatie van de houder was onvoldoende onderbouwd om vermindering van de dwangsom te rechtvaardigen.
Daarom verklaarde het College het beroep ongegrond en bevestigde het de invordering van de dwangsom. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wegens niet-naleving van verzorgingsmaatregelen is ongegrond verklaard.