ECLI:NL:CBB:2023:250
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing forfaitaire vaststelling subsidie vaste lasten COVID-19
De zaak betreft een beroep van een dansschool tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat inzake de hoogte van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het tweede kwartaal van 2021. De dansschool betoogde dat het forfaitaire percentage vaste lasten van 18% niet aansluit bij haar werkelijke kostenstructuur, die volgens haar vergelijkbaar is met die van sportscholen met een hoger percentage van 34%. Zij stelde dat dit leidt tot strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
De minister handhaafde het besluit en verwees naar de systematiek van de TVL-regeling, waarbij het percentage vaste lasten op brancheniveau wordt vastgesteld op basis van CBS-gegevens, met het oog op uitvoerbaarheid en beperking van administratieve lasten. Het College oordeelde dat het forfaitaire systeem inherent is aan de regeling en dat het niet leidt tot strijd met het evenredigheidsbeginsel. Ook is er geen sprake van gelijke gevallen omdat de dansschool een andere SBI-code heeft dan de sportscholen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde de proceskosten niet te vergoeden. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het forfaitaire systeem binnen de TVL-regeling en benadrukt het belang van uitvoerbaarheid en administratieve eenvoud.
Uitkomst: Het beroep van de dansschool tegen de forfaitaire vaststelling van de vaste lasten in de TVL-subsidie wordt ongegrond verklaard.