ECLI:NL:CBB:2023:308

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 juni 2023
Publicatiedatum
16 juni 2023
Zaaknummer
22/1044
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.3 TVL-regeling
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing TVL-subsidie wegens onvoldoende omzetverlies en strikt gebruik omzetbelastingaangifte

De onderneming heeft een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021. De minister heeft deze aanvraag afgewezen wegens het niet voldoen aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies ten opzichte van het derde kwartaal van 2020. De minister baseerde de omzetbepaling op de omzetbelastingaangifte van de onderneming.

De onderneming stelde in het beroepschrift dat de omzet niet alleen op basis van de omzetbelastingaangifte bepaald moet worden, maar gecorrigeerd moet worden naar het kwartaal waarin het feitelijke verblijf van gasten plaatsvond, omdat de facturering op andere momenten plaatsvindt dan het verblijf. Dit zou aan de hand van de financiële administratie moeten worden aangepast. De minister betoogde dat er geen ruimte is om af te wijken van de omzetbelastingaangifte, omdat alle omzet daarin is opgenomen.

Het College overwoog dat de regeling duidelijk voorschrijft dat de omzet primair wordt vastgesteld op basis van de omzetbelastingaangifte van het betreffende kwartaal, en alleen omzet die niet in de aangifte is opgenomen kan worden meegenomen op basis van andere bewijsstukken. Aangezien de volledige omzet in de aangifte is opgenomen, is er geen ruimte voor correcties op basis van de financiële administratie.

Daarom is de omzet van de onderneming correct vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is mondeling gedaan op 5 juni 2023.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de omzet correct is vastgesteld op basis van de omzetbelastingaangifte en er geen minimaal 30% omzetverlies is aangetoond.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/1044
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2023 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., gevestigd te [plaats] (de onderneming)

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat (de minister).

Procesverloop

Met het besluit van 16 december 2021 heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal van 2021 afgewezen.
Met de beslissing op bezwaar van 30 mei 2022 heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld op de zitting van 5 juni 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: P [naam 2] namens de onderneming en mr. M. van den Brink en drs. E.S.M. Slot namens de minister.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De minister heeft de TVL-aanvraag van de onderneming afgewezen, omdat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies ten opzichte van de referentieperiode, het derde kwartaal van 2020. Voor het bepalen van de omzet heeft de minister gekeken naar de aangifte omzetbelasting van de onderneming.
3. De onderneming heeft zich in het beroepschrift op het standpunt gesteld dat niet naar de aangifte omzetbelasting moet worden gekeken. Op de zitting heeft de onderneming dat standpunt bijgesteld. De onderneming heeft toegelicht dat wel naar de aangiftes omzetbelasting moet worden gekeken, maar niet alleen voor dit kwartaal. De omzet uit de kwartaalaangifte is volgens de onderneming namelijk niet representatief. Dat heeft te maken met de manier waarop de onderneming werkt. Er wordt namelijk op een ander moment gefactureerd dan het moment van het feitelijke verblijf van gasten bij het recreatiecentrum. Daarom moet naar de aangiftes van meerdere kwartalen worden gekeken, en dan moet de omzet gecorrigeerd worden naar het kwartaal waarin het daadwerkelijke verblijf heeft plaatsgevonden. Dat kan volgens de onderneming aan de hand van de financiële administratie worden teruggerekend.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat er geen ruimte is om af te wijken van de aangifte omzetbelasting, omdat er geen sprake is van omzet die niet bij de aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt. Er is volgens de minister geen grondslag om omzet aan andere kwartalen toe te rekenen dan in de aangifte omzetbelasting.
5. In artikel 2.3.3, vijfde lid, van de TVL is geregeld hoe de omzet bepaald moet worden. Allereerst wordt als omzet beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan de onderneming aangifte doet voor de omzetbelasting. Daarnaast wordt als omzet beschouwd die omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt, maar op eenvoudige en duidelijke wijze blijkt uit de financiële administratie of uit een ander bewijsstuk van de onderneming.
6. De onderneming wil dat bij het bepalen van de omzet wel wordt gekeken naar haar aangiftes voor de omzetbelasting, maar dat de omzet aan de hand van haar financiële administratie vervolgens wordt gecorrigeerd naar het kwartaal waarin het feitelijke verblijf van haar gasten heeft plaatsgevonden. Op de zitting heeft de onderneming het College gevraagd om zo nodig af te wijken van de bestaande jurisprudentielijn. Het College ziet daar in de TVL-regeling geen ruimte voor. De tekst van de regeling is duidelijk, het uitgangspunt is de aangifte voor dit kwartaal. Alle omzet die in de aangifte omzetbelasting is opgenomen wordt aan de hand van die aangifte bepaald. Alleen als er sprake is van omzet die niet in een aangifte omzetbelasting gerapporteerd wordt. is er ruimte om te kijken naar de financiële administratie van een onderneming. De volledige omzet van de onderneming is in de aangiftes omzetbelasting opgenomen. Er is dus geen sprake van omzet buiten de aangiftes. Daarom moet voor het bepalen van de omzet in dit kwartaal worden aangesloten bij de aangifte voor dit kwartaal.
7. De minister heeft de omzet van de onderneming op de juiste manier bepaald, door te kijken naar de aangifte omzetbelasting. De minister heeft terecht geconcludeerd dat er geen sprake is van minimaal 30% omzetverlies. Daarom heeft de onderneming geen recht op TVL-subsidie. De beslissing op bezwaar en de grondslag waarop die berust is juist.
8. Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van J.P.A. Schaafsma, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2023.
w.g. M. van der Knijff w.g. J.P.A. Schaafsma