ECLI:NL:CBB:2023:347

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
19 juni 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
22/2342 en 22/2343
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2.4 TVL
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling groepsonderneming bij vaststelling TVL-subsidies en aanvraagtermijn OVK-subsidie

Twee ondernemingen binnen dezelfde groepsstructuur hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarin de vaststelling van hun TVL-subsidies voor het eerste kwartaal van 2021 werd vastgesteld en voorschotten werden teruggevorderd. De minister had de subsidies gezamenlijk meegerekend bij het bepalen van het staatssteunplafond, wat leidde tot lagere subsidiebedragen voor beide ondernemingen.

De ondernemingen erkenden dat zij onderdeel zijn van een groepsonderneming, waardoor het samenvoegen van hun subsidiebedragen terecht was. Zij wilden daarnaast alsnog een aanvraag voor OVK-subsidie indienen, ondanks het verstrijken van de aanvraagtermijn. Het College oordeelde dat zij hierover niet in deze procedure kunnen beslissen, maar verwees naar de mogelijkheid om een pro forma aanvraag in te dienen bij de minister.

Het College verklaarde de beroepen ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak bevestigt de juiste toepassing van de regeling voor het vaststellen van de TVL-subsidies binnen een groepsonderneming en benadrukt de procedurele mogelijkheden voor late OVK-aanvragen.

Uitkomst: De beroepen van de ondernemingen tegen de vaststelling van de TVL-subsidies worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 22/2342 en 22/2343
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2023 in de zaken tussen

[onderneming 1] B.V., gevestigd te [plaats] , en

[onderneming 2] B.V., gevestigd te [plaats]

(gezamenlijk: de ondernemingen)
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat.

Procesverloop

De minister had aan [onderneming 1] voor het eerste kwartaal van 2021 een subsidie van € 90.000,- op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) toegekend. Met het besluit van 27 december 2021 heeft de minister de subsidie vastgesteld op € 45.000,- en € 27.000,- aan voorschot teruggevorderd. Met de beslissing op bezwaar van 27 september 2022 heeft de minister het bezwaar van [onderneming 1] ongegrond verklaard. [onderneming 1] heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar (zaak 22/2342). De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De minister had aan [onderneming 2] voor het eerste kwartaal van 2021 een subsidie van € 111.149,20 op grond van de TVL toegekend. Met het besluit van 27 december 2021 heeft de minister de subsidie vastgesteld op € 0,- en € 88.919,36 aan voorschot teruggevorderd. Met de beslissing op bezwaar van 28 september 2022 heeft de minister het bezwaar van [onderneming 2] ongegrond verklaard. [onderneming 2] heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar (zaak 22/2343). De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De beroepen zijn behandeld op de zitting van 19 juni 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam] namens de ondernemingen en mr. H.G.M. Wammes en W. Dam namens de minister.
Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Beide beroepszaken gaan over aanvragen voor TVL-subsidie. In de TVL is bepaald dat een aanvraag voor TVL-subsidie moet worden afgewezen voor zover daarmee het staatssteunplafond zou worden overschreden. [1] Met de besluiten van 27 december 2021 heeft de minister de TVL-subsidies van de ondernemingen gezamenlijk vastgesteld tot aan het staatssteunplafond. Op de zitting hebben de ondernemingen erkend dat sprake is van een groepsonderneming. Zij vallen namelijk onder dezelfde moedermaatschappij. Dat betekent dat de minister bij het bepalen van de maximale hoogte van de TVL-subsidies terecht de subsidies die zijn verstrekt aan beide ondernemingen heeft meegerekend. Het College constateert daarom dat de TVL-besluiten kloppen.
3. Omdat de subsidies van beide ondernemingen werden meegerekend kwam het staatssteunplafond eerder in beeld dan de ondernemingen hadden verwacht. De ondernemingen wilden daarom alsnog subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering ongedekte vaste kosten land- en tuinbouwbedrijven COVID-19 (OVK) aanvragen. De aanvraagtermijn voor OVK-subsidie was echter al verstreken en het aanvraagformulier kon niet meer ingevuld worden. De ondernemingen willen dat hen alsnog de mogelijkheid wordt geboden om OVK-subsidie aan te vragen. Het College begrijpt dat daar het pijnpunt ligt voor de ondernemingen, maar het College kan daar in deze uitspraak niets mee doen. Het College kan namelijk alleen oordelen over de TVL-besluiten waar de beroepszaken tegen gericht zijn.
4. Op de zitting is besproken dat er nog wel de mogelijkheid is om een (pro forma) aanvraag voor OVK-subsidie in te dienen, bijvoorbeeld via een e-mail. De minister zal dan een besluit nemen over de vraag of de aanvraag toch nog inhoudelijk in behandeling wordt genomen, ook al is die te laat ingediend. Op die manier kunnen de ondernemingen aan de orde stellen dat zij alsnog een aanvraag voor OVK-subsidie willen doen en waarom ze daar te laat mee zijn.
5. De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van E.E.M. Koomen, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2023.
M. van der Knijff De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Voetnoten

1.Artikel 2.2.4, eerste lid, aanhef en onder c, aanhef en onder 3°, van de TVL.