ECLI:NL:CBB:2023:41
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
College bevestigt nihil vaststelling subsidie vaste lasten wegens onvoldoende omzetverlies
Appellante, een MKB-onderneming die aangifte omzetbelasting doet, had een subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q4 2020 aangevraagd. Verweerder stelde de subsidie aanvankelijk vast op €22.338,20, maar corrigeerde dit later naar €0,- omdat het omzetverlies minder dan 30% bedroeg, mede doordat de opbrengst van de verkoop van een vrachtwagen (desinvestering) was meegenomen als omzet.
Appellante voerde aan dat de opbrengst van de verkoop van het bedrijfsmiddel niet als omzet mag worden gerekend, verwijzend naar de toelichting bij de TVL en het Burgerlijk Wetboek. Tevens beriep zij zich op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, stellende dat zij erop mocht vertrouwen dat desinvesteringen niet tot de omzet worden gerekend en dat zij ongelijk werd behandeld ten opzichte van ondernemers die geen aangifte omzetbelasting doen.
Het College oordeelde dat op grond van artikel 2.1.2, vijfde lid, van de TVL de omzet wordt bepaald aan de hand van de aangifte omzetbelasting, waarin de desinvestering was opgenomen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellante haar handelen niet op de betreffende informatie had gebaseerd. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen, omdat de uitzonderingsregeling voor ondernemers zonder aangifte omzetbelasting niet op appellante van toepassing is.
Het College bevestigde dat verweerder terecht artikel 2.1.12, vierde lid, van de TVL toepaste en de subsidie op nihil vaststelde. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt terecht op nihil vastgesteld.