De zaak betreft een beroep van een landbouwer tegen het besluit van de minister van Landbouw om zijn onderneming als levensmiddelenbedrijf te registreren. De landbouwer had bezwaar gemaakt tegen deze registratie, maar de minister verklaarde het bezwaar ongegrond en niet-ontvankelijk voor het uitblijven van een beslissing. Tijdens de procedure trok de minister het besluit in, omdat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bevoegd is om op het bezwaar te beslissen.
Het College oordeelt dat de landbouwer geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen het ingetrokken besluit. Daarnaast overweegt het College dat de registratie slechts kan plaatsvinden indien de onderneming hierom verzoekt, en dat de brief van de landbouwer geen dergelijk verzoek inhoudt. De minister wordt opgedragen het bezwaar door te zenden aan het bevoegde bestuursorgaan.
De wraking van de raadsheer werd niet in behandeling genomen en de zitting vond plaats zonder aanwezigheid van de landbouwer. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister moet het betaalde griffierecht vergoeden aan de landbouwer.