ECLI:NL:CBB:2023:576

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
9 oktober 2023
Zaaknummer
23/606
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Pavićević
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen registratie levensmiddelenbedrijf wegens gebrek aan procesbelang

De zaak betreft een beroep van een landbouwer tegen het besluit van de minister van Landbouw om zijn onderneming als levensmiddelenbedrijf te registreren. De landbouwer had bezwaar gemaakt tegen deze registratie, maar de minister verklaarde het bezwaar ongegrond en niet-ontvankelijk voor het uitblijven van een beslissing. Tijdens de procedure trok de minister het besluit in, omdat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bevoegd is om op het bezwaar te beslissen.

Het College oordeelt dat de landbouwer geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen het ingetrokken besluit. Daarnaast overweegt het College dat de registratie slechts kan plaatsvinden indien de onderneming hierom verzoekt, en dat de brief van de landbouwer geen dergelijk verzoek inhoudt. De minister wordt opgedragen het bezwaar door te zenden aan het bevoegde bestuursorgaan.

De wraking van de raadsheer werd niet in behandeling genomen en de zitting vond plaats zonder aanwezigheid van de landbouwer. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister moet het betaalde griffierecht vergoeden aan de landbouwer.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister het besluit heeft ingetrokken en de landbouwer geen procesbelang meer heeft.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/606

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2023 in de zaak tussen

[naam] te [plaats] , ( [naam] ),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (NVWA),

(gemachtigden: mr. B.M. Kleijs en mr. A.F.D. Weken).

Procesverloop

Op 5 augustus 2022 heeft [naam] aan het Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) een brief gestuurd met de volgende inhoud:
“D.d. 4-8-2022 heeft het CBb, zaaknummer AWB 22/1083 V.V. bepaald dat de handelsmaatschappij [naam] beschikt over een erkenning koper/ontvanger van boerderijmelk, dit op basis van artikel 20, beschikking superheffing 2008. Periodiek publiceert het COKZ lijsten erkende bedrijven, op welke basis van ook.
Ondergetekende verzoekt bij deze het COKZ tot vermelding in deze lijsten, dan wel een separate categorie als erkend koper/ontvanger van boerderijmelk op basis van art 20 van Pro de beschikking superheffing 2008, onder de naam [naam] handelsmaatschappij, dit per eerstvolgende COKZ publicatie.”
In een reactie daarop heeft COKZ op 7 oktober 2022 een brief aan [naam] gestuurd met daarin de mededeling van de registratie van [naam] Handelsmaatschappij BV (onderneming) als levensmiddelenbedrijf.
[naam] heeft op 24 oktober 2022 bij COKZ bezwaar gemaakt tegen die registratie.
Op 12 december 2022 heeft [naam] bezwaar gemaakt wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift en tegelijkertijd de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaak 22/2586).
Het COKZ heeft de bezwaren doorgezonden naar de minister, omdat volgens het COKZ de minister bevoegd is om op de bezwaren van [naam] te beslissen.
Bij besluit van 19 januari 2023 heeft de minister het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de registratie ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft [naam] beroep ingesteld (zaak 23/606).
Bij aangetekende brief van 13 juni 2023, die op 14 juni voorafgaand aan de geplande zitting werd ontvangen, heeft [naam] de raadsheer die de zaken zou behandelen, mr. Pavićević, gewraakt.
De griffie heeft daarop telefonisch contact met [naam] opgenomen en meegedeeld dat op het tijdstip van de geplande zitting het verzoek om wraking zou worden behandeld door een wrakingskamer van het College. Daarbij is ook meegedeeld dat als het verzoek om wraking zou worden afgewezen, de zaken alsnog op de zitting zouden worden behandeld.
Vervolgens heeft een wrakingskamer van het College het verzoek om wraking behandeld. De wrakingskamer heeft bij (mondelinge) beslissing van 14 juni 2023 het wrakingsverzoek niet in behandeling genomen en bepaald dat de behandeling van de zaken door mr. Pavićević wordt voortgezet.
Daarna heeft de zitting over de registratie van 7 oktober 2022 alsnog plaatsgevonden. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen. [naam] is niet verschenen.

Overwegingen

1. Het College is van oordeel dat [naam] geen procesbelang heeft bij zijn beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing. [naam] heeft de minister namelijk niet in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. En de minister heeft bij besluit van 19 januari 2023 alsnog op het bezwaarschrift beslist.
2 Tijdens de behandeling van de zitting is de vraag gesteld of de minister wel bevoegd was om het bezwaar tegen de registratie te behandelen. Vervolgens heeft de minister op 4 juli 2023 aan het College bericht dat niet hij, maar de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) bevoegd is om op dat bezwaar te beslissen. De minister heeft daarbij meegedeeld dat het besluit van 19 januari 2023 is ingetrokken.
Het College is van oordeel dat [naam] geen procesbelang meer heeft bij zijn beroep tegen het besluit van 19 januari 2023, nu dat besluit inmiddels is ingetrokken.
3 Op het verzoek om een voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter bij afzonderlijke uitspraak van heden beslist.
4 De slotsom is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aangezien het besluit van 19 januari 2023 door de minister is ingetrokken omdat hij niet bevoegd is, zal de minister het bezwaar van [naam] tegen het besluit van 7 oktober 2022 tot registratie van zijn onderneming als levensmiddelenbedrijf moeten doorzenden aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om daarop te beslissen. Uit de door het COKZ en de minister aan het College toegezonden informatie blijkt niet op grond waarvan de minister van VWS bevoegd is om op het tegen de registratie gerichte bezwaar te beslissen, zodat het College het voor mogelijk houdt dat niet de minister van VWS, maar het COKZ zelf op het bezwaar zal dienen te beslissen.
5 Wellicht ten overvloede overweegt het College dat tijdens de bespreking van de zaak ter zitting niet gebleken is dat het COKZ bevoegd is om een bedrijf ambtshalve te registreren. Een registratie van een onderneming als levensmiddelenbedrijf kan derhalve slechts plaatsvinden als die onderneming daarom heeft verzocht. Het College is van oordeel dat de hiervoor aangehaalde brief van 5 augustus 2022 geen verzoek tot registratie als levensmiddelenbedrijf inhoudt. Ook gelet op de daaraan voorafgegane procedure bij de voorzieningenrechter van het College valt niet in te zien dat [naam] om zo’n registratie zou hebben verzocht.
6 Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2023 niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de minister het bezwaar binnen vier weken na deze uitspraak doorzendt aan het bevoegde bestuursorgaan;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan [naam] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2023.
w.g. T. Pavićević w.g. J.M.M. Bancken