ECLI:NL:CBB:2023:592
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 op basis van omzetbelastingaangifte
De zaak betreft een beroep van een onderneming tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat over de vaststelling van een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021.
De onderneming stelde dat de minister ten onrechte alleen is uitgegaan van de omzetbelastingaangifte van de Belastingdienst en niet van haar financiële administratie, waarin creditnota’s waren verwerkt die volgens haar tot het eerste kwartaal van 2021 behoorden. Volgens de onderneming leidde dit tot een te hoge omzet in de aangifte, waardoor de subsidie onterecht lager werd vastgesteld.
De minister verdedigde het standpunt dat de TVL-regeling expliciet uitgaat van de omzetbelastingaangifte als basis voor de omzetbepaling, om de uitvoerbaarheid en administratieve lasten te beperken. Het College bevestigde dat deze systematiek geen onredelijk uitgangspunt is en dat de regeling geen ruimte biedt om hiervan af te wijken, zeker niet omdat de onderneming geen suppletieaangifte heeft gedaan.
Het College oordeelde dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en dat de minister terecht is uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst. Het beroep van de onderneming werd ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en de subsidie is terecht lager vastgesteld op basis van de omzetbelastingaangifte.