ECLI:NL:CBB:2024:135
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen intrekking subsidie vaste lasten financiering COVID-19 vanwege omzetvaststelling
De onderneming maakte bezwaar tegen het intrekkingsbesluit van de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor het vierde kwartaal van 2020, waarbij de minister het betaalde voorschot terugvorderde. Na bezwaar herzag de minister het besluit en kende alsnog subsidie toe op basis van een omzet van €177.214 in de referentieperiode. De onderneming stelde dat de omzet hoger was, namelijk €206.538, en dat de minister onjuist had gerekend.
De onderneming overlegde jaarsuppleties en grootboekkaarten waaruit verschillende omzetbedragen bleken, maar kon niet overtuigend uitleggen hoe deze bedragen zich verhouden tot de referentieperiode. De minister hield vast aan de omzet uit de eerder gedane aangifte omzetbelasting, omdat de door de onderneming opgegeven facturen uit het eerste kwartaal van 2020 niet als omzet in de referentieperiode konden worden meegenomen.
Het College oordeelde dat de minister terecht de omzet uit de aangifte omzetbelasting hanteerde, omdat dit de voorgeschreven methode is en de onderneming onvoldoende inzicht gaf in de afwijkingen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen toezeggingen waren gedaan die de onderneming konden binden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.