Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Maatschap [naam 1] , te [plaats] (de maatschap),
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Procesverloop
Overwegingen
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het dwangsombesluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
15 februari 2023 aan de maatschap een last onder bestuursdwang (met nummer 202300355) opgelegd ter beëindiging van enkele van de geconstateerde overtredingen.
“Overtreding 2: u heeft er niet voor gezorgd dat uw runderen en schapen die toegang hebben tot de weilanden achter de schuur, op de weilanden bescherming werden geboden tegen
Gezondheidsrisico
1.6, derde lid, van het Bhd. De minister stelt ten onrechte dat de maatschap haar runderen en schapen die toegang hebben tot de weilanden achter de schuur, op die weilanden geen bescherming heeft geboden tegen gezondheidsrisico’s. De toezichthouders van de NVWA konden immers niet zien dat de uitgang naar het weiland de eerste paar meter bedekt was met betonplaten met scherpe randen, waaraan de runderen zich konden bezeren, omdat uit het eerste rapport van bevindingen blijkt dat de toegangsweg naar het weiland bedekt was met zware modder. De maatschap betwist dat sprake was van losliggende betonplaten met scherpe randen waartussen een poot past. Zij wijst erop dat dit verwijt ook heeft gespeeld in een strafrechtelijke procedure en dat zij daarvan is vrijgesproken. Bovendien was tijdens de tweede controle op 21 februari 2023 de deur naar het weiland gesloten, zodat de runderen geen toegang meer hadden tot het weiland. Verder betwist de maatschap dat sprake was van scherpe delen aan onder andere een tractor, waaraan de dieren zich zouden kunnen bezeren.
26 april 2023 en de bij die toezichtrapporten gevoegde foto’s. De minister heeft aan de bevindingen van de toezichthoudend dierenarts doorslaggevende betekenis mogen toekennen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van overtredingen. De maatschap betwist weliswaar de overtredingen te hebben begaan, maar zij heeft haar stellingen onvoldoende concreet onderbouwd. Hieronder, bij de bespreking van de constateringen bij de controle van 23 januari 2024, waarop het daadwerkelijk meevoeren van de dieren is gebaseerd, gaat de voorzieningenrechter op onderdelen gedetailleerder in op de vraag of daaruit terecht is afgeleid dat de overtredingen niet zijn beëindigd. De situatie op 23 januari 2024 is volgens partijen immers niet wezenlijk gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van het nemen van het bestuursdwangbesluit. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat uit de in het bestuursdwangbesluit bij de maatregelen gegeven toelichting voldoende duidelijk blijkt wat van de maatschap werd verwacht. De voorzieningenrechter ziet in de last geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de last niet duidelijk of onvoldoende gemotiveerd is en verder gaat dan noodzakelijk is om de overtredingen te beëindigen. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat het bestuursdwangbesluit, voor zover dat betrekking heeft op de genoemde overtredingen, in rechte stand zal kunnen houden.