ECLI:NL:CBB:2024:170

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
8 maart 2024
Zaaknummer
23/471 en 23/472
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen niet-ontvankelijk wegens opheffing onderneming na fusie

De zaak betreft beroepen tegen besluiten van de minister van Economische Zaken en Klimaat over de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor verschillende kwartalen in 2020 en 2021. De minister had subsidies vastgesteld, herzien en teruggevorderd, waarna de onderneming bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.

De kern van het geschil is de ontvankelijkheid van de beroepen. De onderneming was per 29 juli 2022 gefuseerd met een andere B.V. en uitgeschreven uit het handelsregister op 1 augustus 2022, waardoor zij is opgehouden te bestaan. Het College overweegt dat vanaf dat moment de onderneming geen rechtshandelingen meer kan verrichten, waaronder het instellen van beroep.

De beroepen zijn op 20 januari 2023 ingesteld, na de fusie en opheffing van de onderneming. Er is niet gesteld of gebleken dat de rechtsopvolger instemde met de beroepen. Het College verklaart de beroepen daarom niet-ontvankelijk. Tevens merkt het College op dat de rechtsopvolger zelf beroep had kunnen instellen, maar dit niet heeft gedaan.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 12 maart 2024.

Uitkomst: De beroepen van de onderneming zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat zij na fusie is opgehouden te bestaan.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 23/471 en 23/472

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2024 in de zaken tussen

[naam 1] B.V., (onderneming)

(gemachtigde: [naam 2] )
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat

(gemachtigden: mr. M.P. Beudeker en mr. H.G.M. Wammes ).

Procesverloop

Zaaknummer 23/471
Met het besluit van 11 maart 2022 heeft de minister de subsidie voor de periode april tot en met juni (Q2) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID19 (TVL) vastgesteld op € 59.636,29.
Met het besluit van 15 maart 2022 heeft de minister het besluit van 11 maart 2022 herzien en de subsidie voor Q2 van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 59.636,29 teruggevorderd.
Met het besluit van 24 maart 2022 heeft de minister de aan de onderneming op grond van de TVL verleende subsidie voor de periode juli tot en met september (Q3) van 2021 ingetrokken. Ook heeft de minister het betaalde voorschot van € 46.295,54 teruggevorderd.
Met het besluit van 15 december 2022 (bestreden besluit I) heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen de besluiten van 15 maart 2022 en 24 maart 2022 ongegrond verklaard.
Zaaknummer 23/472
Met afzonderlijke besluiten van 8 maart 2022 heeft de minister de aan de onderneming op grond van de TVL verleende subsidie voor de periode oktober tot en met december (Q4) van 2020 en januari tot en met maart (Q1) van 2021 vastgesteld op € 0,- en de betaalde voorschotten teruggevorderd.
Met het besluit van 13 december 2022 (bestreden besluit II) heeft de minister het bezwaar van de onderneming tegen de besluiten van 8 maart 2022 gegrond verklaard en deze besluiten herroepen. Daarbij heeft de minister aan de onderneming een dwangsom toegekend wegens overschrijding van de termijn om op het bezwaarschrift te beslissen.
Beide zaaknummers
De onderneming heeft tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 1 februari 2024. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister.

Overwegingen

1. De minister heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de beroepen van de onderneming niet-ontvankelijk zijn, omdat zij opgehouden is te bestaan. Over dit standpunt overweegt het College als volgt.
2 De onderneming behoorde vanaf 31 december 2019 tot [naam 3] B.V. en deze groep is per 27 juli 2021 overgenomen door [naam 4] B.V..
3 Vervolgens is de onderneming op 1 augustus 2022 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel omdat zij per 29 juli 2022 is gefuseerd met [naam 5] B.V. ( [naam 5] ). De onderneming is vanaf dat moment dan ook opgehouden te bestaan en opgegaan in [naam 5] .
4 De onderneming heeft vervolgens op 20 januari 2023 (pro forma) beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. Vanaf het moment dat de onderneming is opgehouden te bestaan, kan zij echter geen rechtshandelingen meer verrichten en dus ook geen beroep meer instellen. Niet is gesteld of gebleken dat [naam 5] , de rechtsopvolger van de onderneming na de fusie, ermee heeft ingestemd dat de beroepen van de onderneming namens [naam 5] hebben te gelden. De beroepen moeten dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
5 Het College merkt daarbij nog op dat [naam 5] zelf, als rechtsopvolger na de fusie, beroep had kunnen instellen. Niet is gesteld of gebleken dat [naam 5] dat heeft gedaan.
Slotsom
6
De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. H. van den Heuvel en mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.
w.g. M. van Duuren w.g. F. Willems