De zaak betreft het hoger beroep van een registeraccountant tegen een tuchtmaatregel opgelegd door de accountantskamer wegens het verrichten van frauduleuze betalingen ten koste van meerdere vastgoedbeheermaatschappijen. De accountant had tussen januari 2020 en juni 2021 via 17 betalingen bijna €51.000,- naar eigen rekeningen overgemaakt en dit trachtte hij te verhullen in de financiële administratie. Na ontdekking erkende hij zijn handelen, werkte mee aan het onderzoek en betaalde het verduisterde bedrag terug.
De accountantskamer verklaarde de klacht gegrond en legde een doorhaling van de inschrijving in het accountantsregister op, met een herinschrijvingstermijn van acht jaren. Het hoger beroep richtte zich op de zwaarte van deze termijn, waarbij de accountant verzachtende omstandigheden aanvoerde, zoals zijn erkenning, medewerking, terugbetaling en het ontbreken van een tuchtrechtelijk verleden.
Het College van Beroep bevestigde dat de doorhaling passend is vanwege het ernstige karakter van het handelen dat het beroep in diskrediet bracht. Echter, het College vond de termijn van acht jaar disproportioneel en beperkte deze tot vijf jaar, mede vanwege de terugbetaling van het verduisterde bedrag, vergoeding van onderzoekskosten, het inzicht van de accountant in zijn gedrag en zijn psychologische behandeling.
De overige onderdelen van de tuchtuitspraak bleven in stand. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor zover het de duur van de herinschrijvingstermijn betrof, en de zaak werd door het College zelf afgedaan.