ECLI:NL:CBB:2024:503
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. van den Heuvel
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
De minister van Economische Zaken stelde bij besluit van 19 oktober 2021 de subsidie voor het vierde kwartaal van 2020 op nihil vast en reviseerde het betaalde voorschot terug wegens onvoldoende omzetverlies van de onderneming. De onderneming stelde beroep in tegen het besluit van 26 oktober 2022 waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard.
De kern van het geschil betreft de vraag of de minister terecht is uitgegaan van de omzetcijfers uit de aangiften omzetbelasting bij het bepalen van het omzetverlies. De onderneming voerde aan dat een factuur van €210.000 ten onrechte in het vierde kwartaal van 2020 was opgenomen en pas in het eerste kwartaal van 2021 had moeten worden verantwoord. Tevens werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.
Het College oordeelde dat de minister conform artikel 2.1.2 van de TVL-regeling verplicht is uit te gaan van de aangiften omzetbelasting en dat de onderneming onvoldoende concrete gegevens had aangeleverd om hiervan af te wijken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen vergelijkbare gevallen waren aangetoond.
Daarmee was het omzetverlies minder dan 30% en kon de subsidie terecht op nihil worden vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen het besluit tot afwijzing van de TVL-subsidie wordt ongegrond verklaard.