De maatschap heeft subsidie aangevraagd voor de aanschaf en installatie van zonnepanelen. De minister stelde de verleende subsidie echter vast op € 0,- omdat de maatschap de zonnepanelen al vóór de subsidieaanvraag had aangeschaft, waardoor het vereiste stimulerend effect ontbrak.
De maatschap voerde aan dat zij geen juridisch bindende toezegging had gedaan en dat de datum op de offerte administratief onjuist was, maar het College concludeerde dat de opdracht mondeling in augustus 2022 was gegeven, vóór de subsidieaanvraag van 2 september 2022. Hierdoor had de minister de subsidie moeten afwijzen.
Het College oordeelde dat de vaststelling op nihil een geschikt en noodzakelijk middel is om ongeoorloofde staatssteun te voorkomen en dat het besluit niet onevenredig of onevenwichtig is. Het beroep van de maatschap werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.