ECLI:NL:CBB:2024:687
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. van den Heuvel
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen subsidiebesluiten vaste lasten financiering COVID-19 op basis van omzetbelastingaangiften
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen meerdere besluiten van de minister van Economische Zaken omtrent de vaststelling van subsidies op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) en TVL1. De geschillen betreffen de vaststelling van de referentieomzet voor diverse perioden, waarbij de onderneming betwist dat de minister terecht is uitgegaan van omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting.
De onderneming voert aan dat haar eigen administratie een andere omzet weerspiegelt dan de omzetbelastingaangiften, vanwege een joint venture-constructie waarbij zij slechts het resultaat (omzet minus kosten) factureert aan haar partner. Zij stelt dat de omzet daarom niet juist wordt weergegeven in de aangiften en dat de minister had moeten afwijken van deze gegevens.
De minister stelt dat de omzet moet worden vastgesteld op basis van de aangiften omzetbelasting, tenzij de onderneming suppletieaangiften indient om de omzet te corrigeren. Het College bevestigt dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetbelastingaangiften, omdat de onderneming niet heeft aangetoond dat deze onjuist zijn en geen suppletie heeft ingediend.
Het College oordeelt dat binnen de systematiek van de TVL geen rekening kan worden gehouden met de door de onderneming gehanteerde boekhoudkundige verwerking. Ook is het niet onredelijk dat de regeling uitgaat van omzetbelastingaangiften voor de uitvoerbaarheid en administratieve lastenbeperking. De beroepen worden ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De beroepen van de onderneming tegen de subsidiebesluiten worden ongegrond verklaard en de minister is terecht uitgegaan van omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting.