ECLI:NL:CBB:2024:793

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
1 november 2024
Zaaknummer
23/175
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 3 BpbArt. 2 BpbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College veroordeelt minister tot vergoeding proceskosten in samenhangende beroepszaken

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 5 november 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin de ondernemer beroep instelde tegen een besluit van de minister van Economische Zaken.

De minister heeft de ondernemer tegemoetgekomen door middel van een herzieningsbesluit waarbij een hogere subsidie werd vastgesteld op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het derde kwartaal van 2021. Hierdoor heeft de ondernemer het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

Het College stelt vast dat deze zaak samenhangt met 30 andere beroepszaken en past daarom artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) toe. In plaats van het standaardbedrag van € 1.312,50 wordt een forfaitair bedrag van € 3.100,- vastgesteld, wat neerkomt op € 100,- per zaak.

De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 100,- voor deze zaak. Daarnaast wijst het College erop dat de griffierechten van € 184,- rechtstreeks door de minister moeten worden vergoed op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Er is geen aanleiding voor een nadere kostenveroordeling in bezwaar, aangezien de minister reeds een vergoeding heeft toegekend bij het herzieningsbesluit.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 100,- proceskosten voor deze samenhangende beroepszaak.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/175
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] (de ondernemer)

(gemachtigde: mr. A.K. van der Vis)
en

de minister van Economische Zaken

Samenvatting

In deze uitspraak veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep omdat de minister aan de ondernemer is tegemoetgekomen.

Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om de minister te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 Het College stelt vast dat de onderneming met de brief van 13 augustus 2024 het beroep heeft ingetrokken met daarbij het verzoek de minister in de proceskosten te veroordelen met verwijzing naar haar brief van 24 juli 2024 waarin een voorstel is gedaan over (de hoogte van) de proceskostenvergoeding. Reden hiervoor is dat de minister met het herzieningsbesluit van 28 juni 2024 voor de ondernemer alsnog een hogere subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q3 2021 heeft vastgesteld. Hiermee is de minister aan de ondernemer tegemoetgekomen.
5 Nu de minister de ondernemer is tegemoetgekomen, ziet het College aanleiding de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep te veroordelen. Het College stelt vast dat deze beroepszaak gelet op artikel 3 van Pro het Bpb samenhangt met nog 30 andere beroepszaken. In beginsel dienen de kosten op grond van artikel 2, eerste lid onder a, van het Bpb te worden vastgesteld op € 1.312,50 (1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van de beroepschriften met een wegingsfactor 1,5 in verband met samenhang en wegingsfactor 1,0 qua zwaarte). Aangezien het hier echter om 31 samenhangende zaken gaat is het College van oordeel dat dit forfaitaire bedrag niet in verhouding staat tot het aantal samenhangende zaken. Daarom ziet het College aanleiding om toepassing te geven aan het derde lid van artikel 2 van Pro het Bpb en de kosten vast te stellen op in totaal € 3.100,- of te wel € 100,- per beroepszaak.
6 Met het herzieningsbesluit van 28 juni 2024 is door de minister al een vergoeding in bezwaar conform het Bpb aan de ondernemer toegekend. Voor een (nadere) kostenveroordeling in bezwaar ziet het College geen aanleiding.
7 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 184,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Beslissing

Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 100,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.