Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 2], te [woonplaats] (de ondernemer)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
In deze bestuursrechtelijke uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (zaaknummer AWB 22/2628) staat de vergoeding van proceskosten centraal. De ondernemer had bezwaar en beroep ingesteld tegen een subsidieverleningsbesluit van 31 mei 2022. De minister stelde later via een vaststellingsbesluit van 25 januari 2023 een hoger subsidiebedrag vast, waarmee feitelijk aan de ondernemer werd tegemoetgekomen.
De minister nam geen herziene beslissing op bezwaar, maar het College oordeelde dat het belang van het beroep hierdoor was komen te vervallen. Op grond daarvan werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep. Omdat deze zaak samenhangt met nog 30 andere beroepszaken, stelde het College de proceskosten forfaitair vast op € 3.100,- totaal, oftewel € 100,- per zaak, in afwijking van het standaardbedrag.
De uitspraak werd zonder zitting gedaan op 5 november 2024, conform de toepasselijke artikelen 8:54 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens werd opgemerkt dat de minister ook verplicht is het griffierecht van € 184,- te vergoeden. De beslissing bevestigt het belang van een redelijke proceskostenvergoeding bij samenhangende bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 100,- proceskosten aan de ondernemer wegens tegemoetkoming via het vaststellingsbesluit.