ECLI:NL:CBB:2024:813

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
1 november 2024
Zaaknummer
23/1096
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 3 BpbArt. 2 BpbArt. 7:15 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College veroordeelt minister tot vergoeding proceskosten in samenhangende beroepszaken

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 5 november 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin de maatschap beroep had ingesteld tegen een besluit van de minister van Economische Zaken. De minister was aan de maatschap tegemoetgekomen door alsnog subsidie toe te kennen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022. Hierdoor trok de maatschap het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

Het College oordeelde dat de minister op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) veroordeeld kon worden tot vergoeding van de proceskosten omdat zij aan de maatschap was tegemoetgekomen. Omdat deze zaak samenhing met nog 30 andere beroepszaken, paste het College artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) toe en stelde de proceskosten forfaitair vast op € 3.100,-, oftewel € 100,- per zaak.

De kosten gemaakt in bezwaar kwamen niet voor vergoeding in aanmerking omdat de maatschap daar niet tijdig om had verzocht. Daarnaast wees het College erop dat de minister verplicht is het griffierecht van € 365,- te vergoeden. De uitspraak werd zonder zitting gedaan en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Brugman.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 100,- aan proceskosten aan de maatschap.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 23/1096
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen

Maatschap [naam] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. A.K. van der Vis)
en

de minister van Economische Zaken

Samenvatting

In deze uitspraak veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep omdat de minister aan de maatschap is tegemoetgekomen.

Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om de minister te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 Het College stelt vast dat de onderneming met de brief van 13 augustus 2024 het beroep heeft ingetrokken met daarbij het verzoek de minister in de proceskosten te veroordelen met verwijzing naar haar brief van 24 juli 2024 waarin een voorstel is gedaan over (de hoogte van) de proceskostenvergoeding. Reden hiervoor is dat de minister met het herzieningsbesluit van 28 juni 2024 aan de maatschap alsnog subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 2022 heeft toegekend. Hiermee is de minister aan de maatschap tegemoetgekomen.
5 Nu de minister de maatschap is tegemoetgekomen, ziet het College aanleiding de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep te veroordelen. Het College stelt vast dat deze beroepszaak gelet op artikel 3 van Pro het Bpb samenhangt met nog 30 andere beroepszaken. In beginsel dienen de kosten op grond van artikel 2, eerste lid onder a, van het Bpb te worden vastgesteld op € 1.312,50 (1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van de beroepschriften met een wegingsfactor 1,5 in verband met samenhang en wegingsfactor 1,0 qua zwaarte). Aangezien het hier echter om 31 samenhangende zaken gaat is het College van oordeel dat dit forfaitaire bedrag niet in verhouding staat tot het aantal samenhangende zaken. Daarom ziet het College aanleiding om toepassing te geven aan het derde lid van artikel 2 van Pro het Bpb en de kosten vast te stellen op in totaal € 3.100,- of te wel € 100,- per beroepszaak.
6 De in bezwaar gemaakte kosten komen in dit geval niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de onderneming hierom niet al in de bezwaarfase heeft verzocht, zoals artikel 7:15, derde lid, van de Awb als voorwaarde stelt. Voor een kostenveroordeling in bezwaar bestaat dan ook geen aanleiding.
7 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 365,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Beslissing

Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van € 100,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.