ECLI:NL:CBB:2024:814

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 november 2024
Publicatiedatum
1 november 2024
Zaaknummer
22/2592
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 3 BpbArt. 2 BpbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College veroordeelt minister tot vergoeding proceskosten na tegemoetkoming aan maatschap

In deze bestuursrechtelijke uitspraak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 5 november 2024 zonder zitting beslist over proceskostenvergoeding in een beroepszaak tussen een maatschap en de minister van Economische Zaken.

De maatschap had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister, maar heeft dit beroep ingetrokken nadat de minister met een herzieningsbesluit alsnog subsidie toegekend heeft op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2022. Hierdoor is de minister aan de maatschap tegemoetgekomen.

Het College stelt vast dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de minister in de proceskosten kan worden veroordeeld wanneer zij aan de indiener van het beroepschrift tegemoetkomt. Gelet op de samenhang met 30 andere zaken wordt de vergoeding forfaitair vastgesteld op in totaal € 3.100,-, oftewel € 100,- per zaak, conform artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De minister was reeds in bezwaar voor de kosten vergoed, zodat het College geen aanleiding ziet tot een nadere kostenveroordeling in bezwaar. Tevens wijst het College op de verplichting van de minister om griffierecht te vergoeden volgens artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

De uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van griffier E.A. van der Meel, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van € 100,- proceskosten aan de maatschap wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2592
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] (de maatschap)

(gemachtigde: mr. A.K. van der Vis)
en

de minister van Economische Zaken

Samenvatting

In deze uitspraak veroordeelt het College de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep omdat de minister aan de maatschap is tegemoetgekomen.

Beoordeling

1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om de minister te veroordelen in de proceskosten. Artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 Indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld, zo bepaalt artikel 8:75a van de Awb.
3 De vaststelling van de hoogte van de proceskosten vindt plaats aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Hierin is vermeld voor welke proceshandelingen kosten worden vergoed met een systeem van vaste bedragen, gebaseerd op punten en wegingsfactoren.
4 Het College stelt vast dat de onderneming met de brief van 13 augustus 2024 het beroep heeft ingetrokken met daarbij het verzoek de minister in de proceskosten te veroordelen met verwijzing naar haar brief van 24 juli 2024 waarin een voorstel is gedaan over (de hoogte van) de proceskostenvergoeding. Reden hiervoor is dat de minister met het herzieningsbesluit van 28 juni 2024 aan de maatschap alsnog subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q1 2022 heeft toegekend. Hiermee is de minister aan de maatschap tegemoetgekomen.
5 Nu de minister de maatschap is tegemoetgekomen, ziet het College aanleiding de minister tot vergoeding van de proceskosten in beroep te veroordelen. Het College stelt vast dat deze beroepszaak gelet op artikel 3 van Pro het Bpb samenhangt met nog 30 andere beroepszaken. In beginsel dienen de kosten op grond van artikel 2, eerste lid onder a, van het Bpb te worden vastgesteld op € 1.312,50 (1 punt ter waarde van € 875,- voor het indienen van de beroepschriften met een wegingsfactor 1,5 in verband met samenhang en wegingsfactor 1,0 qua zwaarte). Aangezien het hier echter om 31 samenhangende zaken gaat is het College van oordeel dat dit forfaitaire bedrag niet in verhouding staat tot het aantal samenhangende zaken. Daarom ziet het College aanleiding om toepassing te geven aan het derde lid van artikel 2 van Pro het Bpb en de kosten vast te stellen op in totaal € 3.100,- of te wel € 100,- per beroepszaak.
6 Met het herzieningsbesluit van 28 juni 2024 is door de minister al een vergoeding in bezwaar conform het Bpb aan de maatschap toegekend. Voor een (nadere) kostenveroordeling in bezwaar ziet het College geen aanleiding.
7 Ter voorlichting aan partijen merkt het College nog op dat de verplichting om de kosten van het griffierecht ten bedrage van € 365,- te vergoeden voor de minister rechtstreeks voortvloeit uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

Beslissing

Het College veroordeelt de minister in de proceskosten van de maatschap tot een bedrag van € 100,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2024.
w.g. D. Brugman w.g. E.A. van der Meel
Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.