De stichting hield runderen, varkens en schapen van bijzondere rassen en werd door toezichthouders van de NVWA meerdere malen gecontroleerd. Er werden diverse overtredingen van het Besluit houders van dieren (Bhd) geconstateerd, zoals onvoldoende schuilgelegenheid, ongeschikt voer en onvoldoende drinkwatervoorzieningen. De minister legde aan de stichting lasten onder bestuursdwang en dwangsommen op om deze overtredingen te beëindigen en herhaling te voorkomen.
De stichting betwistte de overtredingen en de rechtmatigheid van de opgelegde lasten. Het College oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de stichting de artikelen 1.6, 1.7, 1.8, 2.5, 2.10 en 2.26 van het Bhd heeft overtreden en bevoegd was om handhavend op te treden. Wel is geoordeeld dat de last onder bestuursdwang in zaak 21/491 te ruim is geformuleerd en onvoldoende is toegespitst op de locaties waar overtredingen zijn vastgesteld, waardoor dit deel van het besluit wordt vernietigd en herroepen.
De beroepen tegen de andere besluiten en de invorderingsbeschikking zijn ongegrond verklaard. Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken is overschreden, waardoor de minister en de Staat samen een schadevergoeding van € 2.000,- aan de stichting moeten betalen. De minister en de Staat zijn ook veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
De uitspraak benadrukt het belang van voldoende specificatie van bestuursdwanglasten en bevestigt dat productiedieren binnen het toepassingsgebied van het Bhd vallen, ook als de stichting dieren houdt met bijzondere doeleinden. De handhaving is gebaseerd op gedetailleerde rapporten van toezichthouders en veterinaire verklaringen.